Holten-Laren-Vorden in één dag

De Schipbeek, die stroomt tussen Holten en Vorden, en waar ik afgelopen
vrijdagmiddag langsliep tijdens een Pieterpad-sessie
.

Eergisteren (vrijdag 13 november 2020, ja, jullie kunnen veel van me zeggen, maar niet dat ik bijgelovig ben!) heb ik met goede vriend C. weer een stuk van het Pieterpad afgelegd. Dat is, zoals ik vaker heb gezegd, een meerjarenproject van ons (we zijn inmiddels vijftien jaar onderweg…). Elk najaar trekken we eropuit om een of meerdere trajecten onder onze voeten door te duwen.

Onze wandelsessies vallen om de een of andere reden vaak in de maand november, maar anders dan je zou kunnen opmaken uit de dodelijke diskwalificatie van deze maand door onze onvolprezen dichterprins J.C. Bloem, krijgen wij vaak een uitstekende indruk van deze normaliter toch grijze maand vol miezermisère.

Dit keer liepen we op één dag twee trajecten van deze bekendste langeafstandswandeling van Nederland: van Holten naar Laren en van Laren naar Vorden. Dat is volgens mijn Pieterpad-gidsje van het Nivon 28 kilometer (en dat zou ik maar al te graag willen geloven), maar volgens Google Maps brengt dit traject ‘slechts’ 23,9 kilometer op de teller.

Ik kan daar in ons voordeel bij zeggen dat de samenstellers van het Pieterpad vaak niet de kortste route hebben gekozen, dus wellicht komen we, als we even het gemiddelde van deze beide afstanden nemen, uit op een respectabele 26 kilometer.

In een bijdrage van vijf jaar geleden schreef ik over het Pieterpad-publiek:

‘Frappant is dat je tijdens zo’n wandeling-volgens-het-boekje nooit of te nimmer iemand onder de vijftig tegenkomt. Ik heb nog geen steekproef onder jongeren gehouden, maar het kan niet anders of de tocht te voet van Pieterburen naar de Sint Pietersberg heeft een stoffig imago.

En het is ook wel zo dat er een sfeer van kneuterigheid hangt om het hele fenomeen Pieterpad, een van ‘hè ja, gezellig, kadetjes mee en een thermoskan koffie en dan de paden op, de lanen in, voorwaartsch met fermen pasch’. Maar feit is dat de mensen die je pad kruisen zonder uitzondering erg vriendelijk en welwillend zijn, dus dan neem je de kneuterigheid op de koop toe.’

Raak geformuleerd, vinden jullie ook niet? Nu, vijf jaar na dato, word ik er zelf nog steeds stil van.

Tsja, die kneuterigheid en die stoffigheid… Dat was nu niet anders. Degenen die ons pad kruisten hadden de puberteit al een tijdje geleden achter zich gelaten.

‘Waarom ontmoeten wij alleen maar grijze duiven?!’ verzuchtte goede vriend C. jaren geleden al eens. En zo is het maar net. Nooit kruisen eens frisse dertigerdeernes ons pad.

Nu was dat niet anders. Ergens halverwege de route kwamen ons twee oudere dames tegemoet van wie de ene bepaald charmant was, maar die beiden al jaren geleden de pensioengerechtigde leeftijd hadden bereikt.

Sommigen van die seniore tegenliggers weken op de soms smalle paden trouwens wel erg overdreven terzijde. Natuurlijk, we leven in de naroller van de tweede coronagolf en als je ‘een bepaalde leeftijd’ hebt, ben je wellicht extra voorzichtig. Maar hoewel ikzelf zo langzamerhand ook tot de risicogroep behoor, wekten deze wat overspannen uitwijkmanoeuvres bij mij de nodige wrevel op.

Hoe dan ook, goede vriend C. en ik genoten tijdens deze voettocht, van het schitterende strijklicht op de bomen en de akkers, van de herfstkleuren, van het zachte weer.

Goed, dat was het reclamepraatje, maar het gaat jullie natuurlijk om het persoonlijke verhaal: wat deed deze tocht met mij?

Zoals gezegd, ik genoot echt van deze voettocht, maar waar ik niet blij van werd, was het aanzwellende protest van mijn spieren, pezen, aanhechtingen en gewrichten. Ik werd gaandeweg de route geplaagd door – wat ik als leek maar even diagnosticeer als – muscoloskeletale pijn.

Dit stemde mij wat somber: waren mijn dagen als Pieterpad-loper geteld? Waren de dagen van 7½ uur lopen voorbij, voorbij, o, en voorgoed voorbij?

Ik deelde deze zwartgallige gedachten met goede vriend C. en die wist ze gelukkig in perspectief te plaatsen: vijftien jaar geleden hadden we inderdaad eenmalig 35 kilometer in 7½ uur gelopen, maar goede vriend C. gaf nu toe dat hij toen ‘helemaal kapot was’. Ik bedoel maar.

Maar, hoe dan ook: zo, zonder een centje pijn zoals vijftien jaar geleden, zou ik wel nooit meer wandelen. En nu, gebiedt de eerlijkheid mij te zeggen, bereikten wij ons onderkomen voor de nacht na 5½ uur op ‘ons tandvlees’, zoals mijn metgezel het uitdrukte.

Lichte weemoed voelde ik ook toen ik tijdens de avondmaaltijd in ons onderkomen bediend werd door een erg aardige en charmante Colombiaanse jonge vrouw. Hoe oud zou ze geweest zijn? Eenentwintig, tweeëntwintig? In ieder geval veel te jong voor mij. Ik kon me opdoffen, uitsloven, gevat zijn, grappen verkopen, maar ze zou in mij nooit iets anders zien dan de oude man die ik was. Haar bekoren zou ik nooit meer kunnen.

De volgende dag, toen we van Vorden naar Zutphen waren gelopen (een tocht van niet meer dan twee uur; ja, de vorige dag had zijn tol geëist) overviel mij weer een onbestemde, lichte weemoed; ik stond in de Spittaalstraat voor een koffietentje (waar je wel koffie kon halen maar waar je niet mocht neerstrijken vanwege de coronamaatregelen), keek omhoog en zag daar in een raam een paspop staan.

En ineens dacht ik: stel dat ik in Zutphen een vrouw was tegengekomen, een modeontwerpster, en mijn leven had – dankzij haar – een heel andere wending genomen, had ik dan intenser geleefd, me gelukkiger gevoeld? Ach, we zullen het nooit weten en het is ook zinloos (maar wel heel menselijk) om jezelf met dat soort gedachten te kwellen.

En? Hoe staat het met jullie vijftienjarenplan? hoor ik jullie snierend vragen. Wel, goede vriend C. en ik hebben nog vier trajecten van het Pieterpad te gaan, kan ik daarop antwoorden. En dan? hoor ik jullie in koor vragen. Ja, wat dan…? Misschien dat ik het hele Pieterpad dan gewoon nog eens ga lopen, wie zal het zeggen.

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *