Leven van de pen, het zal Tjeerd Langstraat niet lukken

Vandaag (14 april 2019) neem ik de weekendeditie van De Volkskrant door en stuit daarbij op deze column van Sylvia Witteman. Die maakt deel uit van haar wekelijks terugkomende reeks ‘Witteman heeft iets gelezen’. Sylvia Witteman neemt daarin een tijdschrift (soms) of een boek (vaak) op de korrel.

Dit keer is dat Eeuwig donker van ene Tjeerd Langstraat. Witteman komt via via op dit werkje. Ze opent haar bijdrage van deze zaterdag namelijk met het in literaire kringen bekende weetje dat er in Nederland maar een handjevol (55, om precies te zijn) auteurs van de pen kunnen leven (vreemd genoeg is de uitdrukking ‘van het toetsenbord leven’ niet in zwang gekomen, terwijl er vrijwel geen schrijver meer is die zijn pen gebruikt bij het componeren van zijn oeuvre. Doch dit terzijde).

Tot die succesvolle happy few behoren de Herman Kochs, de Saskia Noorts en de Peter Buwalda’s. De rest, het grote legioen van onsuccesvolle auteurs, moet er maar een baantje bijnemen, als docent, journalist of boekenverkoper, om rond te komen.

Zo niet Tjeerd Langstraat (hè, wie?). In een opiniestuk in Trouw betoogt Langstraat dat uitgevers auteurs zoals hij maar onder hun hoede moeten nemen. Inclusief vast salaris, doorbetaalde vakantiedagen en pensioenopbouw. Nou, nou. Nooit te laag inzetten, jongen, zal Langstraats vader zijn zoon hebben voorgehouden. En ziehier, hij kan trots zijn op Tjeerd, want die zet hoog in.

Is deze aanmatigende toon van Langstraat terecht? Sylvia Witteman citeert slechts enkele zinnen uit Langstraats tweede thriller en die doen het ergste vermoeden:

‘Het is druk in de koffiebar, ­ondanks het vroege tijdstip.’ Het leek mij juist logisch dat mensen op een ‘vroeg tijdstip’ koffie drinken, maar nee, ik moest niet zo flauw doen en verder lezen. Ha, een misbruikt meisje! ‘Er gaat een ijskoude rilling door Carla heen wanneer ze zijn handen op haar lichaam voelt. ‘Kleed je uit, nu. Ik betaal niet om naar een paspop te staren.’ ‘Nee, alsjeblieft… ik wil niet’, fluistert ze. ‘Verdammte Hure’, slist de man.’

‘Terwijl ik me afvroeg of je woorden zonder s kunt slissen (nee), las ik verder. ‘Op de achtergrond wordt met veel misbaar de Duitse man van Carla afgetrokken en niet veel later komt Monica de ­kamer binnen. Ze ziet Vos op het balkon staan. In de kamer druppelen de laatste restjes bloed uit de doorgesneden keel van Mo op de grond.’

Ook de recensent van Vrij Nederland valt – terecht – over het feit dat Langstraat een personage laat slissen in het gebruik van woorden die geen s bevatten. Je kunt natuurlijk zeggen: ‘Hè, wat flauw nou, om over zulke details te gaan zeiken.’ Maar dit zijn domme (en vermijdbare) blunders van een schrijver die de lezer afleiden.

Het is net zoiets als een personage dat zijn broek op de enkels laat zakken en drie zinnen verder weg spurt, zonder dat de auteur heeft vermeld dat hij zijn broek weer razendsnel heeft opgehesen.

Ik nam eens een kijkje op de website van Tjeerd Langstraat . Hij blies in zijn bijdrage in Trouw al hoog van de toren en op zijn website is dat niet anders: zo roept hij zichzelf daar onbekommerd uit tot ‘Schrijver des Vaderlands’, als een soort nog kleinere versie van Napoleon die zich dan maar door zichzelf tot keizer laat kronen.

Verder lees ik: ‘Tjeerd heeft een lekker pennetje’. Deze mening is afkomstig van Fenny Glazenburg, hoofdredactrice van Roots & Seasons (nooit van gehoord). Het lukt me niet deze zin niet dubbelzinnig op te vatten. Maar goed, dat is flauw en geheel toe te schrijven aan mijn ongeneeslijk verdorven geest.

Heel sterk werkt dat trouwens niet, dat je mensen ten tonele voert die de lezer niet kent en die dan iets lovends zeggen over je werk. Als ik mijn best doe, kan ik vast ook wel wat mensen optrommelen in mijn vrienden- en kennissenkring die iets aardigs over mijn schrijfkunsten willen zeggen, maar het is de vraag of lezers van dit weblog (als die er al zijn) daardoor over de streep worden getrokken om De geluksverdeling aan te schaffen.

‘Nieuw Rotterdams talent!’ roept Algemeen Dagblad, maar de journalist die deze kreet aan zijn tekstverwerker heeft ontwrongen moet een kortstondige vlaag van verstandsverbijstering hebben gehad.

Ik weet wel dat je pas een oordeel over een boek mag vormen als je het van a tot z gelezen hebt, maar in het geval van Eeuwig donker zou ik zeggen: laat het ongelezen. Een thriller die inzet met zulke kreupele zinnen, kan niet gaan lopen.

De wijze Nietzsche zei het al, ergens in Menschliches, Allzumenschliches: ‘Man soll manches nicht an sich herankommen lassen’, oftewel: je moet veel niet eens tot je laten komen. Het leven is veel te kort voor Eeuwig duister. Na dit bestaan zijn we al genoeg tijd kwijt aan het eeuwig duister.

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *