‘Wij veredelen dromen’

Het is zondag 29 november 2020. Ik loop over een verlaten bedrijventerrein in Groningen, aan de rafelranden van de stad, onder een kouddalende zon.

Ik kom er tijdens een van mijn stadswandelingen (die ik heb ingesteld sinds de corona uitbrak. De teller staat inmiddels op negentien). Waarom in godsnaam? kun je je afvragen. Wat heeft een dichter in zo’n omgeving te zoeken? Wandelen, leuk, maar dan ga je toch naar een bos, voor het landelijke leven buiten waar de vogels fluiten?

Zeker, en dat doe ik ook vaak genoeg, maar er gaat een vreemde aantrekkingskracht uit van een landschap dat geen enkele moeite doet om mooi gevonden te worden.

Waar een Volvo Kattenrug en een Rover verweesd verroesten, ver weg van een autokerkhof waar ze broederlijk zouden kunnen vergaan te midden van hun soortgenoten. Waar gribusgoederen liggen in het niemandsland tussen opslagterrein en vuilnisbelt. Waar een caravan staat, weggedrukt op een parkeerterrein tussen twee loodsen, afgekoppeld van de vakantie.

Hopen schroot waarover kramsvogels vliegen en waar het strijklicht van de zonsondergang het verval een zachte pasteltint verleent. Twee kauwen op de nok van een haveloze loods, waarbij de ene de andere met zijn snavel liefkoost, om iets van romantiek te brengen in deze nuchter-prozaïsche contreien, waar de strakke lijnen van containers het denkraam bepalen.

En als je dan aan de zoom van het bedrijventerrein gekomen bent en je leest aan de wand van een verzinkerij ‘Wij veredelen dromen’, ja, dan weet je dat je als dichter op de goede plaats bent!

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.