Posts made in juli, 2013

De Gieselgeer

Waar de duivelsstok in het water roert,

waar de donderpad schuins uit de modder loert;

 

Waar knistelkruid groeit, gamander, wiepeldoorn,

waar oempig de roep klinkt van de dompelhoorn;

 

Waar de loop over sluikpaden ploddig gaat,

waar de tijdsstroom hangen blijft achter het verlaat

 

Daar ligt het onland van de Gieselgeer.

Daar weerklinkt rauw zijn roep van derf en deer.

 

Daar dansen in slierten de witte wijven

het nachttij door met hun ijle lijven.

 

Wee, o wee, wie nu niet binnen muren is;

hij zal denken dat zijn hoofd aan ‘t guren is.

 

De garrelwind giert door het gagel.

Voeten dabben de nacht door in bragel.

 

Deze ommering is ilpig en driezelig.

Het weer wabbert er tussen gaal en miezelig.

 

In het zwerk is verloop, en het is rosse maan.

De henne neervogelen klapperen aan.

 

De ieze kalivaar en de narre tempeloer

liggen hier om midnacht op de loer.

 

De nachtraaf dompelt in dit oord van donk,

de grondeling strompelt van brak naar zonk.

 

Dit is het uur van de bietebauwen,

de viezevazen en de garsenauwen.

 

Arre spinsels omhangen duivelskoppen.

Druilende ronkels donkeren kale toppen.

 

In dit land van verdolf waar de moor rondronkelt

is menige reiziger ontijdig verstronkeld.

 

De lange wapper joelt als het nachttij waalt,

als de maan koloogt en de flodder dwaalt.

 

In dit dompe Land van Ongelegen

kwam men sinds lang geen sterveling meer tegen.

 

Maar langs vliet, door laak dolen al uren

twee onzichtig genevelde figuren.

 

Het zijn vader en zoon, van de kaart geraakt,

daar het allemanskompas hier stadig wraakt.

 

Hun stemmen verdoffen, wazen weg in de mist.

De ommelanden worden nog slechts gegist.

 

De zoon is zo bang dat bij hem elke hoofdhaar

uitgroeit tot voelhoorn voor loerend gevaar.

 

‘Vader, hoor je dan niet vlakbij dat gehuil?’

-‘Jongen, dat is gewoon de roep van de gloeruil!’

 

‘Nee, nee, het is de schreeuw van het Oele Moerbeest.’

-De vader wil niet denken aan wat zijn zoon vreest.

 

‘Ze noemen hem ook wel de Gieselgeer.

Wie hem tegenkomt, die zie je niet weer.

 

Waar hij langskomt hangen planten vol roetdauw.

Op hun blad kruipt zwadder en het weer wordt rouw.

 

Hij houdt zich op bij dobbes en konkels,

Hij krijgt zijn kracht van dollekervel, ranonkels.

 

Zijn ademtocht duivert door de struiken.

Waar hij gaat, begint het stilletjes te smuiken.

 

‘s Nachts krijgen paarden zomaar heksevlechten.

Zo kel worden ze, dat ze zich amber vechten.’

 

‘Vader, hoor jij ook remelen, heel dichtbij?

-‘Nee, dat is gesnuif van een paard in de wei.’

 

-De witte wieven hebben zich opgedrongen

en ze hebben de zoon lokkend toegezongen.

 

‘Word licht als wij, dan kun je met ons vliegen.

Kom toch bij ons slapen, wij zullen je wiegen.

 

Wij tillen je op tot waar je zinnen

een tintelnieuwe ommeloop beginnen.’

 

‘Vader laat mij maar los, laat mij gaan.

Daar, de Gieselgeer komt achter mij aan.’

 

Was zijn zoon al aan het ijlen geslagen?

Hij heeft hem snel opgepakt en weggedragen.

 

Bij elke stap is het of scheuten elvenschot

hem lammelings doorschieten, tot op het bot.

 

Hij strompelt langs driesland, waar het ruzelt en kwart,

waar een dwaalgast zich steevast in ladde verwart.

 

Hij kijkt op voor een ster, maar slechts een tegenmaan

is daar, laag aan de hemel, om op koers te gaan.

 

Over stroeve jaagpaden versnelt hij zijn loop.

En nergens verschijnt licht als een brandpunt van hoop.

 

Hij wijmelt door vliedland vol kraailook en ort

terwijl zijn zoon al zwaarder en zwaarder wordt.

 

Dan ontspringt – op zijn flanken woest vlokkende broes -,

een paard aan de nacht, dat klawiert door de droes.

 

Was dat een eunjer op de rosvale rug?

-De vader omklemt zijn zoon vaster, deinst terug…

 

De zwarte ruiter stoot in het voorbijgaan

een dorre lach uit, kijkt de vader wijlings aan.

 

Over hem valt de schaduw van de monnikskap.

Hij wankelt, wijkt terug, het is zijn laatste stap…

 

De loper die later in ‘t moeras rondstrijkt

denkt ginds een arm te zien die naar de hemel reikt.

 

Maar als hij schuchter dichterbij is gekomen

ziet hij slechts twee verknarde, vergroeide bomen.

 

‘t Is of aan de ielgoezen en zeekagen

de kruinen uit de zomp een uitweg vragen.

 

 

facebooktwitterby feather
Reageer >>>

Op retour

Ik wil mijn dementerende vader

gewezen leraar Frans

nog eenmaal meenemen

naar Zuid-Frankrijk

langs velden vol zonnebloemen.

 

Die noemde hij steevast

‘een leger in slagorde

dat wacht op bevelen

van de zonnegod.’

 

Hij vond dat

een mooie vergelijking

van zichzelf.

Ik vind dat nu ook.

 

Voor de laatste keer

hem het aroma laten opsnuiven

van lavendel

heilzaam kruid

dat hem

voor een ogenblik

geneest van schemerig heden

tot zonlicht verleden.

 

Ik zal dit tafereel

voor ons beiden opslaan:

 

Op een terras

onder een grote plataan

die als een moederkloek

met haar takken even

onheil van boven

tegenhoudt.

 

Wij beiden nippend aan

een C�tes du Rh�ne

net zoals toen.

‘Die noemen ze

‘vin du soleil’,

doceert mijn vader.

Ik wil het

maar al te graag weten.

 

Ik wil hem nog eenmaal

de cicades laten horen

die stilvielen als je

te dicht bij ze kwam.

 

Dit ontlokte mijn vader

altijd de opmerking

dat ‘hij dat gedrag

zo goed kon begrijpen.’

En dan die verlegen lach erbij.

 

Nog eenmaal

zachtstrijkend

zonsondergangslicht

vluchtige eeuwige sneeuw

op de boomgroep naast de camping

aan de Ard�che.

 

Ik wil dat goudgele licht

scheppen van die toppen

het vatten en opbergen

om te bewijzen

dat het duurzamer is dan

zijn stoffelijke variant.

 

‘Pap, weet je het nog?’

‘- Natuurlijk jongen?

Hoe zou ik dat nou

kunnen vergeten?’

 

Nog eenmaal

tijm stukwrijven tot kruim

met onze vingertoppen

neusvleugels uit laten slaan

naar het verre toen.

 

Nog eenmaal

de bruine koeien

op de zonnige berghellingen.

 

Laat hun bellen

op die zekere dag klinken

in plaats van kerkklokken.

 

Nog eenmaal…

en  daarna

geldt voor hem

wat hij schertsend

tegen zijn leerlingen zei

na het eindexamen Frans:

 

‘Nu mogen jullie

alles wat je hier geleerd hebt

vergeten.’

facebooktwitterby feather
Reageer >>>

Afdracht

Ik heb besloten

een deel

van mijn lachen

af te staan,

contributie

voor mijn

schaamteloze

verderleven.

De lucht die ik

bij het proeven

van rode wijn

naar binnen zuig

zou eigenlijk

in jou moeten vloeien,

zou net als wijn

hartversterking moeten zijn.

facebooktwitterby feather
Reageer >>>

Tekens

Mijn vader was leraar.

Laten we daarom zeggen

dat de krijtstrepen daarboven

door hem zijn getrokken.

 

Van alle woorden

die hij op ’t bord schreef

is niet een gebleven.

Deze boodschap is

voor de nablijvers.

facebooktwitterby feather
Reageer >>>

Rosse verlangens

Met ��n klik stellen zij mechanismen in werking

die oud zijn als de wereld zelf.

 

Hun rose rosse dageraad

trekt mij uit de tochtige nacht.

 

Over de demarcatielijn;

wie in de rode zone wordt betrapt

heeft identiteitsbewijs hard nodig.

 

Ik ben de volkomen vreemde

verwachte bezoeker

die, binnen enkele minuten,

zijn diepste innerlijk toevertrouwt

aan ‘t fluweel van de gastvrouw

 

Discreet als een verpleegster

trekt ze het scherm dicht

om mij.

facebooktwitterby feather
Reageer >>>

Follow Us

facebooktwitterby feather