
Afgelopen vrijdag (13 februari 2026) las ik in De Volkskrant de column van Peter Buwalda. Buwalda beschrijft daarin dat hij, twintig minuten te vroeg voor zijn tennisafspraak, staat te kijken naar vier jochies die op de tennisbaan een ingewikkeld trainingsschema uitvoeren en laten zien dat ze beschikken over een jaloersmakende techniek.
Buwalda ziet dat een tijdje aan en komt dan tot het volgende zelfinzicht: ‘Gefascineerd toeschouwend begon ik twee zaken heel goed in te zien, namelijk A. hoe het moet, tennissen, en B. hoe het komt dat ik het nooit meer zal leren.’
Het deed me denken aan vergelijkbare kijksessies die ik mezelf toestond bij een studententennisclub in mijn woonplaats, lang geleden. Ik was zelf nog student, maar bij lange niet zo goed als de leeftijdgenoten die op de baan hun kunsten vertoonden.
Ik was namelijk veel te laat met tennissen begonnen (op mijn achttiende), omdat ik mezelf jarenlang had wijsgemaakt dat de techniek van tafeltennissen en tennis onverenigbaar waren en dat ik, als ik zou gaan tennissen, geheid een tennisarm zou krijgen. Onzin natuurlijk, maar ja, het was niet meer terug te draaien en toen ik eenmaal een tennisracket ter hand nam, was ik al veel en veel te laat om echt nog te kunnen doorbreken: daarvoor moet je toch echt rond je zesde serieus met tennis zijn begonnen.
Goed, de top bereiken kon ik dus wel vergeten, maar ik keek graag naar begintwintigers die wél op tijd met tennis waren begonnen en die beschikten over een fabelachtige techniek en een snoeiharde opslag.
Maar goed, niets menselijks is mij vreemd, dus als ik op dat tennispark aan de rand van Groningen een studentenherendubbel in de hoogste categorieën (3, 2 en soms 1 (1 is de hoogste bij tennis) aanschouwde, dan wenste ik heimelijk dat ik ook zo goed kon spelen.
Voeg daarbij het zonnige weer, het gelach, het gezwier aan het bier van die begaafde tennissers en de meiden die in hun kielzog mee zwierden en het mag niemand verbazen dat de weemoed bij mij soms in al zijn hevigheid toesloeg.
Maar wat is er geworden van die getalenteerde spelers? Van een enkeling weet ik de naam nog, maar ik heb ze nooit terug gezien in een ATP-toernooi of zelfs maar een vermelding van hen gelezen bij een Challenger- of Satellite/ITF-toernooi.
Zouden ze gestopt zijn, omdat ze inzagen dat ze, ondanks hun onmiskenbare kwaliteiten, nooit de top zouden bereiken c.q. nooit hun geld met tennissen zouden kunnen verdienen? Kregen ze oog voor andere dingen en werd bijvoorbeeld een studie belangrijker?
Misschien dat ze zelf vrijwel nooit meer denken aan hun tennisverleden, maar ik denk nog vaak terug aan de keren dat ik bij hen langs de baan stond en vurig wenste net zo goed te kunnen tennissen als zij.