Strijdkreet

Keurig, zoals men dat
van mij verlangt
lever ik mijn manuscript
in drievoud in
als formulieren
voor de ambtelijke molens
en wie weet
glijd ik dan
bedaard als een zwaan
op een stille vijver
de Nederlandse letteren binnen.
Beschaafd, zonder lawaai te maken,
zoek ik mijn plaatsje
in de Nederlandse poëzie
zoals een verlate schouwburggast schuifelt
naar zijn voorbehouden zetel
terwijl ik

GODVERDOMME

door de stad moet zwieren
op de trappen van het stadhuis
obscene regels brullen
naar een kersvers bruidspaar
waarmee ik de bruidegom
woedend maak
en de bruid
laat kirren,
mijn gedichten achter op
bierviltjes schrijven
zodat de tapkasthangers
mijn stem door hun nevel horen
misthoorn in de nacht,
op het allerlaatste ogenblik
tussen de sissende treindeuren door
naar binnen glippen
– poëzie op het
scherpst van de snede,
via een corridor ontsnappen
aan van twee kanten loerend gevaar –
op het balkon springen
voor even mijn podium,
verstekelinggedichten achterlaten
in het bagagerek
in de hoop
dat iemand hen opneemt…

‘Ach, laat hij zich maar
even uitleven
dacht ik vroeger al,
dan kan hij het minste kwaad.
In die tijd kon hij al
boos worden
op alles en iedereen;
hij griste dan viltstiften
van zijn zusje af,
trok woeste halen
in zijn schetsboek,
uitzinnig, krankzinnig,
tekenen kon hij niet.
En als hij dan
was uitgeraasd
liet hij mij zijn geklieder zien.
Ik kon er niks zinnigs in ontdekken.’

© André Degen

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.