Vanaf een caféterras in de binnenstad
til ik mijn bierglas op in schertsende toost
naar een studente op de tweede verdieping
terwijl ik natuurlijk wel weet
dat ik nooit op haar hoogte kan komen.
Ze vormt een vluchtig schilderij
puur door in het kader
van het open raam te staan
losjes aan haar haar te frunniken
en achteloos witte wijn te drinken.
Ze kijkt minzaam
op mij neer.
Mijn vriend zegt:
‘Ik vind het altijd een beetje zielig
als ouwe mannen de aandacht zoeken
van jonge meiden.’
Ik weet het: mijn gedrag
past totaal niet bij mijn leeftijd.
Mijn vriend vraagt mij:
‘Hoeveel vriendinnen had jij eigenlijk
vóór je vrouw?’
En ik antwoord: ‘Veel te weinig.’
Hij voelt mijn onrust:‘
Je bent je wilde haren
nog altijd niet kwijt.’
Ik blijf in de scherts:
Met grappen en grollen
vervorm je de spiegel
die je beeld terugkaatst.
Ik zeg: ‘Ik wil niet worden
zoals Simson.’
Maar omdat hij een vriend is
lengt hij het scherpe aan met zoet
zoals honing mosterd verzacht:
‘Bij jou stroomt tenminste
nog bloed door de aderen.’
Ja, dat voel ik bij ieder boezemfladderen:
Die onuitgeleefde driften
vormen mijn motor
mijn aandrijfkracht.
Ze scheuren mij soms
bijna uit elkaar
maar zonder hen
kan ik niet dichten
kan ik niet leven.
© André Degen