
Interessant artikel in De Volkskrant van gisteren (24 juni 2026) van Wilma de Rek: ‘Schrijf en blijf’ (dat in de digitale versie van de krant Laat dit de zomer worden van de ansichtkaartrevival! | de Volkskrant blijkt te heten).
Het artikel gaat over de gunstige effecten van schrijven met de hand op ons brein. Als je betoogt dat je een voorstander bent van het old school schrijven met pen en papier tegenover het ‘digitale schrijven’ (tikken op de computer of op je telefoon), dan word je al snel versleten voor een ouwe zak die niet met zijn tijd meegaat. Maar schrijven met de hand blijkt goed te zijn voor je fijne motoriek. Aldus twee Nederlandse neuropsychologen, Audrey van der Meer en Ruud van der Weel en zij kunnen het weten, want zij hebben ervoor doorgeleerd.
Door met de hand iets op te schrijven, worden er complexe verbindingen aangelegd tussen de beide hersenhelften en die verbindingen zijn essentieel voor het opslaan van informatie. Dat wil zeggen dat wat je schrijft beter blijft hangen in je geheugen. Iedereen die wel eens teksten heeft overgeschreven, heeft dat uit eigen ondervinding al mogen vaststellen.
Los van de positieve effecten op het memoriseren van informatie, heeft schrijven met de hand voor veel schrijvers (en daar reken ik mijzelf ook onder) ook iets romantisch; het maakt deel uit van het ritueel dat bij schrijven hoort. Zo zei Julian Barnes een keer in een interview dat er ‘een rechtstreekse lijn loopt vanuit zijn brein naar de nek naar de schouder en dan zo naar de pen’. En de Duitse bestsellerauteur Daniel Kehlmann verklaarde dat schrijven met de vulpen niet alleen goed was voor zijn concentratie, maar ook voor het ritme van zijn boeken; zo ontstond er ‘iets van een taalrivier’, die zijn tekst vloeiend maakt. En er zijn meer schrijvers die het trage, het meditatieve van schrijven met de hand loven.
Voor mijzelf is schrijven met de hand belangrijk, maar dan alleen voor het schrijven van (proza)gedichten en verhalen; mijn romans schrijf ik op de computer. Ik ben het dus volstrekt niet eens met Jennifer Egan (een mij onbekende schrijfster; shame on me?) die stelt: ‘Ik zou geen verhaal kunnen schrijven achter een beeldscherm.’ Voor mij geldt dat ik geen gedicht zou kunnen schrijven achter een beeldscherm en dat heb ik in mijn hele leven ook nog nooit gedaan.
Bij een gedicht wil ik woorden of flarden van zinnen die ik eventueel ga gebruiken in de kantlijn kunnen zetten, als reservespelers van een voetbalelftal die je eventueel in gaat zetten.
Verderop in het stuk van Wilma de Rek gaat het over de opkomst van de typmachine, rond 1870. Zoals dat vaak gebeurt bij nieuwe uitvindingen (denk aan de angst bij de eerste treinen voor schrikkende koeien langs de spoorlijn die zure melk zouden gaan geven, volgens sommigen)
Wat ik niet wist, was dat niemand minder dan mijn favoriete filosoof Friedrich Nietzsche een early adopter van de typmachine was (de marketingterm voor een ‘omarmer’ in een vroeg stadium van een nieuw product); het apparaat stelde hem in staat, zo hoopte hij, om beter te kunnen schrijven. In de herfst van zijn leven gingen zijn ogen zo erg achteruit dat hij geen langere teksten meer kon schrijven; daardoor was hij gedwongen aperçu’s en aforismen te schrijven.
Nietzsche onderkende de invloed van schrijfmateriaal (in zijn geval dus een ‘simpele’ typmachine) op zijn schrijfarbeid. Aan zijn secretaris Heinrich Köselitz schreef hij dan ook: ‘Sie haben recht: Unser Schreibzeug arbeitet mit an unseren Gedanken.’
Maar Nietzsche zag de typmachine dus als iets positiefs, iets dat zijn schrijfarbeid kon verlichten en verbeteren. Heel anders daarover dacht zijn collega Martin Heidegger, de filosoof die met Sein und Zeit zijn opus magnum afleverde; Heidegger zag in die onschuldig ogende typmachine niets minder dan een kwaadaardig voorwerp dat zou leiden tot de vernietiging van het woord.
In een Duitstalig stuk over de ‘ontologie van de hand’ en de ‘mechanisering van het denken’ staat die ‘dichotomie’ (tegenstelling tussen twee principes), zoals de auteur het noemt tussen de beide filosofen centraal: “Während Nietzsche in einer inzwischen legendären Formulierung aus dem Jahr 1882 als Ererster explizit anerkannte, dass das “Schreibzeug” aktiv und gestaltend an der Konstruktion menschlicher Gedanken mitarbeitet, identifizierte Heidegger in seinem Freiburger Seminar zu Parmenides (Wintersemester 1942/43) in exakt derselben Apparatur eine existenzielle Bedrohung. Für Heidegger riss die Schreibmaschine das Schreiben aus dem essenziellen “Wesensbereich der Hand” und führte unweigerlich zur “zunehmenden Zerstörung des Wortes”.
Nu, na meer dan tachtig jaar, kunnen we lachen om Heideggers pathetische angst voor het gebruik van de typmachine. Hij zag dit toch tamelijk onschuldig ogende apparaat als iets dat in staat was om de hand los te koppelen van het schrijven en Heidegger zag het woord als het wezenlijke domein van de hand: de hand is immers de essentie van de mens; als enig dier heeft de mens handen.
Heidegger zou helemaal een rolberoerte krijgen, als hij de huidige ontwikkelingen op het gebied van Kunstmatige Intelligentie in ogenschouw zou nemen. Zoals Wilma de Rek schrijft: ‘je roept iets naar je apparaat en krijgt een keurig document met kant-en-klare volzinnen terug.’
Maar – o ironie! – deze denker die zo te hoop liep tegen dat verfoeide apparaat en het menselijke handschrift verheerlijkte als ‘de hoogste en meest authentieke voltrekking van de wereldscheppende handeling’ (ja, toe maar weer!)… gebruikte zelf ook een typmachine! Zoals te lezen valt in het stuk ‘Medienphilosophische Kritik der Schreibmaschine: Ontologie der Hand, Mechanisierung des Denkens und das Wesen des Wortes’: ‘Es entbehrt nicht einer gewissen historischen und biographischen Ironie, dass Martin Heidegger, der radikalste Prediger der handgeschriebenen Authentizität, im privaten Arbeitsalltag durchaus von der verteufelten Maschine Gebrauch machte. Archivarische Forschungen belegen zweifelsfrei, dass Heidegger eine moderne, massenproduzierte, tragbare Schreibmaschine vom Typ “Urania-Piccola” (Baujahr 1932) besaß.’). Oftewel: ‘Practice what you preach’ gold niet voor Martin Heidegger.
Maar goed, we laten we deze hoogdravende filosofie even voor wat zij is en we keren terug naar het schrijven met de hand. Donald Niedekker (wederom een auteur die ik niet kende) heeft het in dat verband terecht over ‘de wezenlijke dialoog tussen hand en hersenen’.
Dat vind ik een goeie. Ik heb dat ook: er vindt als het ware een een-twee plaats tussen mijn gedachten en mijn schrijvershand. Wanneer ik schrijf, ben ik mezelf veel bewuster van de woorden die ik aan het papier toevertrouw dan wanneer ik op een toetsenbord zit te rammen. Ik denk beter na over een zin en hij ontrolt zich ook natuurlijker onder mijn handen, vloeiender.
En het is ook nog een keer zo: als alle computers platliggen en een gigantische stroomstoring (al dan niet te wijten aan sabotage) het gebruik van elektronische apparatuur onmogelijk maakt, dan is er altijd nog de pen en het papier plus de schrijvershand. Op deze drie-eenheid kun je altijd rekenen en met dit trio keer je terug naar de basis van hoe schrijven ooit begonnen is.