Prozagedichten

La belle époque

De hele dag draait de zon om haar heen. Zij trekt zich terug onder een fleurig hitteschild. Als gierennekken buigen de telelenzen naar haar toe, hengelend naar een brokje van haar vlees. Maar zij is van plan haar huid duur te verkopen.

Ze klemt de zon als een schijfje citroen op de rand van haar cocktailglas, laat de zonsondergangskleuren met elkaar spelen.
Ze tuurt naar het verschiet door de piratenkijker van het lege glas.
Als een hond ligt de zee aan haar voeten. Een vlinder landt op haar borst – levende broche, voor even.

Hier denk je er niet aan dat er een adertje knappen kan in je hoofd, of dat er een propje blijft steken in je bloedvaten, net zomin als je gedachten uitgaan naar het rioolbuizenstelsel onder de houten vloer van het strandpaviljoen. De ergste botsing hier is die van ijsblokjes tegen elkaar.

’s Avonds in de cabrio, stapvoets over de boulevard, legt ze haar hoofd in haar nek, zoals ze in een kapsalon haar haren ter wassing aanbiedt.
Ze ziet het oplichtende sterrenstof, de zee die kopjes geeft tegen de kade, ze hoort de palmenbladeren langs elkaar strijken, ze hoort de krekels hun vleugels wrijven tegen elkaar en ze weet: deze nacht zal even peilloos verlopen als de vorige – en de volgende.
Ze zal meegezogen worden, zich ‘s morgens even een adempauze gunnen op een badhanddoek en vanaf dat vliegende tapijt weer worden opgenomen in de volgende kolking.

facebooktwitterby feather
Reageer >>>

Hoogzit

Ik zit op mijn houten troon. Hoewel ik de positie van umpire heb ingenomen, wil ik over niks oordelen. Ik zit en beschouw. Ik heb geen geweer, zelfs geen fototoestel; ik laat alle dieren die onderlangs mijn zitplaats scharrelen ongemoeid.
Als ik maar lang genoeg wacht in mijn hut-op-stelten zal het heideveld aan mijn voeten onderstromen en veranderen in moeras. Dat is niet goed, dat is niet fout, het gebeurt gewoon. Er treedt een nieuwe toestand in, dat is alles wat je ervan kunt zeggen.
De adder die nu in de zon ligt te stoven zal een veilig heenkomen moeten zoeken – of hij zal sterven. Moeten we zijn aftocht betreuren? In zijn plaats zal de ringslang kronkelen.
Het water zal verder stijgen. Dan zal ook de ringslang het veld moeten ruimen. Vissen zullen die leegte opvullen.
Het waterpeil zal nog verder rijzen, tot de golven tegen mijn voetzolen klotsen. En nog zal de opwaartse gang van het water niet te stuiten zijn. Het zal zo hoog komen dat mijn knieën nog net boven de waterspiegel uit komen, zoals de ruggen van een schildpad.
Nog maar kort geleden kon ik mij verheven voelen boven de dingen – maar die zijn allemaal ondergelopen. Wat ooit bovenwereld was is onderwereld geworden.
Eerder had ik nog kunnen ontsnappen; nu is het daarvoor te laat. Ik zit geïsoleerd in mijn stuurhut op een spiegelvlakte die zich uitstrekt tot zover het oog reikt.
Ik zou mezelf op mijn observatiehut kunnen hijsen, zoals mensen tijdens een watersnoodramp op de nok van hun huizen klimmen. Maar ik blijf zitten.
Door de kou van het water raken mijn benen verstijfd. Na mijn benen worden romp en schouders ondergedompeld.
Dan reikt het water tot mijn lippen.
Aan de klim van het water lijkt geen eind te komen. Het staat nu tot mijn neusgaten. Als het mijn neus binnendringt, blijf ik tot het laatste moment hopen dat er kieuwen achter mijn oren zullen openspringen.
Wanneer dat niet gebeurt en mijn longen waterzakken worden, zie ik de wereld zoals ik die gekend heb vׅóór de overstroming wegzakken op de bodem van de nieuwe wereld. Dat is niet goed, dat is niet slecht, het is niet jammer, het is gewoon een nieuwe toestand.

facebooktwitterby feather
Reageer >>>

Zuigen

Ze dook op uit een ver, smoezelig verleden, zoals een stervende brasem aan de oppervlakte van een vervuilde vaart.
Ik zag een onbekend nummer in het schermpje van mijn telefoon en ik aarzelde: opnemen of niet?
Het was als met het nummer van een lot uit de loterij: het kan je leven veranderen, maar achteraf was het verstandiger geweest het meteen weg te gooien, omdat je er toch niks mee won. Het had je een hoop ergernis en ellende bespaard.
Ze viel bij me binnen en na een kwartier had ik me al door misbruik, mishandeling, drankzucht, werkloosheid en gedwongen abortus heen geluisterd.
Ik moest opletten: deze lamprei had zich al eens aan mij vastgebeten – met succes.
Waarom belde ze mij? Had ze geld nodig? Als dat zo was, liet ze het niet doorschemeren. Stelde ze belang in mij? Dat bleek uit niets.
Door de rode knop te bedienen kon ik haar het zwijgen opleggen, laten verdwijnen, zoals een beul met één handbeweging de elektrische stoel in werking zet. Maar ik was haar genadig. Ik kon haar op elk gewenst moment wegdrukken.
Niet dat ik van die macht genoot, want in het kielzog van haar woordenstroom dreven allerlei wrakstukken mee van lang geleden. Ik moest daar behoedzaam omheen laveren om hier ongeschonden uit te komen.
Het lukte me dan toch me los te wringen uit de knellende band die ze om mijn hoofd legde. Ik deed de toezegging haar te ontmoeten, op neutraal terrein.

Ik heb ondertussen haar telefoonnummer geblokkeerd, anonieme oproepen beantwoord ik niet, ik kom zo weinig mogelijk mijn huis uit en als ik de post doorneem, beginnen mijn handen te trillen.
Zij is een gijzeling begonnen, maar tot op de dag van vandaag weet ik niet wat het losgeld is.

facebooktwitterby feather
Reageer >>>

Frietkot

Het verlaten, het doorgaande omhangt het frietkot als de dikke baklucht. Natuurlijk is de uitbater morsig en weinig mededeelzaam. Hij zou verhalen kunnen vertellen, maar hij heeft er geen zin in. Anders zou hij toch maar uitkomen bij de zelfmoord van een vijftienjarige jongen die, jaren geleden, vanaf een viaduct over de E 314 sprong, niet ver hier vandaan. Hij had dat gedaan omdat zijn liefde voor ene Madeleine onbeantwoord was gebleven. Het verhaal wilde dat deze wanhopige jongeman, alvorens zich van de wegoverspanning te storten, eerst met zijn eigen bloed de naam van zijn onbereikbare geliefde op een wand van het viaduct had geschreven. Maar dat is waarschijnlijk verzonnen, want zelfmoorden zijn zelden zo romantisch. Er is in ieder geval geen spoor meer van terug te vinden. Het is voor de uitbater een passie van een andere wereld.
Geen auto zal de uitgerangeerde Adria nog uit het slop trekken. Maar goed dat caravans geen melancholie kennen, anders zou deze weemoedig worden, omdat zijn witgewassen soortgenoten hem hier achterlaten en in karavaan verder trekken naar het zonnige zuiden, om daar dicht tegen elkaar aan te gaan staan.
Grimmig spottend noemt de uitbater het door hem gebruikte frituurvet ‘het gouden laagje van zijn bestaan’. Hij weet dat de geur in elke porie van zijn lijf blijft hangen, maar tijdens het nachtelijke schijngevecht ruiken zijn vrouw en hij die niet aan elkaar. Achteloos strooit hij wat woorden mee met het zout. Hij is er niet in geïnteresseerd waar zijn frikadellen, curryworsten en boulettes belanden, het zijn zijn kinderen niet.
Hij doet mee aan een buitenlandse lotto. Koortsachtig, verbeten probeert hij allerlei cijfercombinaties uit, in de hoop dat de kluisdeur eindelijk openspringt, terwijl hij zou moeten weten dat de frêle, dartele dansmadam Chance niet halthoudt bij flansbarakken, die niet toegerust zijn om haar op passende wijze te ontvangen. Jonkvrouwe Fortuna wil haar blijde tijding niet onder een krap afdakje over een vettige, vuilwitte toonbank doorschuiven, zij wil een royale entree met bloemen-strooisel op een oprijlaan die uitloopt op een bruisende fontein.
Op een morgen, als ook de hemel potdicht zit, kloppen wij vergeefs aan bij het frietkot. Het frituurvet blijft koud en stijf die dag. In het naburige dorp klinken kerkklokken, de vrouw van de uitbater staart in de verte waarin ze al zoveel klanten heeft zien verdwijnen. Het is die dag tegenseizoenlijk koud. De stoet bestaat uit dorpelingen en wat schaarse familie, maar de vrouw van de frietkoteigenaar krijgt een bizar visioen, dat alle klanten die ooit aan hun nering zijn voorbijgetrokken nu aan de baar van haar man voorbijtrekken, om hem de laatste eer te bewijzen, als dank voor het vlugvoer dat zij en hij al die jaren voor hen bereid hebben. En ondanks de ernst van de situatie zal ze even inwendig om zichzelf moeten glimlachen.
Het frietkot wordt weggesleept, belandt op de schroothoop, waar hij al jaren thuishoorde.
Soms kunnen mensen, die jaren later op die staanplaats de auto uitgaan om even de benen te strekken, zich verbeelden dat ze een vleug bakvet in hun neus krijgen. Maar meteen nadat ze die gewaarwording gehad hebben, halen ze hun schouders op; er is hier immers in geen velden of wegen een frituur te bekennen. Was dat maar zo, denken ze, want ze realiseren zich ineens dat ze best trek hebben.

facebooktwitterby feather
Reageer >>>

De legioenen

Het belaagt ons. Vanuit alle hoeken en gaten loert het ons aan. De troepen verzamelen zich in stilte. Je kunt wel heel krijgshaftig met je zwabber of ragebol naar alle windrichtingen zwaaien, maar het blijft een potsierlijk wapen tegen een onzichtbare vijand. Ze zijn met te velen. Klop de doek uit waarmee je zonet driftig hebt afgenomen en de deeltjes komen als een boemerang in je gezicht. De vijand zal ons uiteindelijk verslaan; zonder bombarie, maar sluipenderwijs. Via de ooghoeken kruipt het ons lichaam binnen. Eén stofje is bijna niets, maar met zijn allen weven ze een lijkkleed over je binnenste.

Er zit niks anders op dan de wereld gefilterd tot mij te nemen.

facebooktwitterby feather
Reageer >>>

Zwerfkei

Uit voortijdige verten is hij aan komen wentelen. Nou ja, ‘wentelen’; hij is hier beland met wat van stilstand niet te onderscheiden is. Ze zeggen dat een rollende steen geen mos verzamelt, maar hij bewoog zo traag dat dat had gekund. Hij is geheel naakt. Zijn verplaatsing was meer een winterslaap-in-beweging, onder die dikke, beschermende witte kap, dan een echte reis. Het was begraven zijn, diep onder een kille lijkwade. Voor de rest van zijn bestaan mag hij nu stilliggen, aan het begin van onze oprijlaan.
Mensen die hem zo massief bewegingloos zien staan, denken niet aan ‘zwerf’, terwijl dat toch een deel van zijn wezen uitmaakt. In hun ogen is hij onverzettelijk immobiel, alsof hij daar al sinds de oertijd is.
Verlangt hij terug naar die beschermende reisdeken die hem zo lang aan het oog heeft onttrokken? Nu staat hij daar open en bloot, een prooi voor de elementen.
Hij werd niet voortgedreven door rusteloosheid hiernaartoe. Zijn tocht was rust, steeds een stukje opgeschoven in de tijd en in de ruimte. Hij zal nog vele klauterkinderen op zich gedogen. Vele generaties zullen hem bedekken en hem weer verlaten.

Hij kan hier een ijstijd lang staan. Hij zal ook die overleven.

facebooktwitterby feather
Reageer >>>

Follow Us

facebooktwitterby feather