Zen en de kunst van het motoronderhoud


Vandaag (16 november 2018) lees ik in De Volkskrant een interview met de kunstenaar Jasper Krabbé. In deze rubriek, ‘Wat zijn dat voor vragen?’, krijgt de ondervraagde steeds twee tegengestelde of in ieder geval vrij ver uit elkaar liggende begrippen voorgelegd waaruit hij moet kiezen, bijvoorbeeld: ‘sporten’ of  ‘snacken’?, ‘televisie’ of ‘toneel’?, ‘heimwee of vooruitkijken?’, etc.

Krabbé krijgt het tweetal ‘zenboeddhist’ of ‘motorrijder’ voor zijn neus. Zenboeddhisme en motoren… hé, dacht ik, dan kan de beroemde roman Zen en de kunst van het motoronderhoud van Robert Pirsig nooit ver weg zijn en, ja hoor, een paar regels verderop las ik al: ‘In Zen and the Art of Motorcycle Maintenance schrijft Robert Pirsig dat motoren en zenboeddhisme geen tegenstellingen hoeven zijn. Het geduld en inzicht dat nodig is bij het sleutelen aan je motor, raakt aan het zenboeddhisme, volgens hem.’

Deze zin voerde mij vele jaren terug, zevenendertig om precies te zijn. Ik was toen achttien en met mijn ouders in Frankrijk op vakantie. Als vakantielectuur had ik Zen en de kunst van het motoronderhoud van Robert Pirsig meegenomen. Hoe ik tot dit boek kwam weet ik na al die jaren niet meer en het doet er ook niet zoveel toe, maar ik had het bij mijn ouders uit de boekenkast gepakt, zodat het mij kon vergezellen op mijn eigen roadtrip naar Zuid-Frankrijk.

Het mooie van Zen en de kunst van het motoronderhoud is dat je het boek op verschillende niveaus kunt lezen; je kunt het puur zien als roadtrip door Amerika (en dan is het ook al de moeite waard), je kunt er een mooie, impliciete beschrijving in zien van een vader-zoonverhouding en je kunt het beschouwen als een uiteenzetting over wijsbegeerte. Het is, als je het zo beschouwt, in feite een filosofische verhandeling opgelost in een roman.

Het centrale thema van het boek is de queeste van Phaedrus, het alter ego van de hoofdpersoon, naar het ongrijpbare begrip ‘Kwaliteit’. Zoals Lodewijk Dros in een Trouw-artikel –  van ook alweer zestien jaar geleden – schrijft:

‘Voor hem draait alles om Kwaliteit, en vooral om de vraag, wat dat is. Een platonisch idee (het goede, schone, ware), een onderscheidend principe (wel of geen kwaliteit)? Hij omschrijft het als een ondefinieerbaar kernbegrip. ‘Kwaliteit is het mysterieuze, innerlijke doel van ieder creatief mens.’ Eh, juist ja.

Als jongen van achttien kwam ik er ook niet goed achter wat de zoektocht van Phaedrus precies inhield, maar dat stoorde mij toen niet en het boek bleef mij tot het eind boeien. En die Kwaliteit…, je kon er een queeste naar de Heilige Graal in zien, een zoektocht naar God of naar…ja, zeg het maar. Pirsig wilde het niet definiëren, hij hield het bewust vaag.

NRC-columnist Frits Abrahams ergerde zich ronduit aan het ongedefinieerde van het begrip ‘Kwaliteit’ in Pirsigs hoofdwerk:

‘Hoewel ik allesbehalve academisch filosoof ben, moet ik bekennen dat juist dát aspect bij het lezen van Pirsigs Zen and the Art of Motorcycle Maintenance mij destijds ook hinderde (…)  Ik vond het een mooi boek, vooral de delen over de relatie met zijn zoon, maar bleef tasten naar de betekenis van die ‘Kwaliteit.’

Wat destijds grote indruk op mij maakte was Pirsigs beschrijving van hoe hij/Phaedrus langzaam maar zeker gek wordt: ‘Drie dagen en drie nachten staart Phaedrus naar de muur van zijn slaapkamer. Zijn gedachten bewegen niet voorwaarts en niet achteruit, ze verkeren alleen bij het moment (…) Zo zwaar, zo moe, maar er komt geen slaap. Hij voelt zich een reus van miljoenen kilometers lengte. Hij voelt zich zonder einde uitstrekken tot in het heelal.’

Onlangs vond ik de Amerikaanse versie, nota bene bij een Mamamini (ik heb bij die kringloopwinkel al de wereld aan – soms ongelezen – boeken weggesleept, doch dit terzijde). Die ga ik binnenkort lezen, om te kijken of het boek mij net zo boeit als zevenendertig jaar geleden. Geheid dat het werk, na al die jaren, veel van zijn glans verloren heeft.

Met die Chris is het trouwens slecht afgelopen: op de aanvallige leeftijd van 22 werd hij, morgen trouwens op de kop af 39 jaar geleden, doodgestoken tijdens een roofoverval nabij het – kan het ironischer? – San Francisco Zen Center.

Ik was overigens niet de enige die tijdens die vakantie zijn tanden in deze – soms taaie – kost zette: ’s nachts sliep onze toen nog in het pupstadium verkerende hond van mijn ouders in de minicorridor tussen de twee bedden van mijn ouders. Daar lag ook de bestseller van Pirsig ergens op de grond.

Op een morgen zagen we allemaal kleine gaatjes in het boekomslag. Boekenwurmen waren daar niet en die maakten ook beslist andere holtes in boeken. Er was maar één conclusie mogelijk: onze Cita had zijn gebit voor andere kost gebruikt dan waarvoor het bedoeld was…

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *