
Ik weet het, het is inmiddels oud nieuws, maar door gebrek aan tijd kon ik deze weblogbijdrage niet eerder afschrijven en plaatsen, vandaar dat ik dat nu (4 november 2026) alsnog doe: deze bijdrage vindt zijn oorsprong in een interessante column van Jolande Withuis (momenteel de enige nog enigszins ‘dwarse’ columniste van die krant, die verder alleen maar ‘Gaza -genocide!’-scandeerders haar kolommen laat volbrullen. Maar dit terzijde) die op 29 oktober 2026 in De Volkskrant stond.
In ‘Het is geen zeldzaamheid dat claims van oorlogsleed vals blijken’ stelt Withuis dat het regelmatig voorkomt dat mensen een verblijf in een concentratiekamp of hun oorlogservaringen uit hun duim zuigen of op zijn minst ‘bijkleuren’.
Het bekendste voorbeeld van dergelijke ‘oorlogsfraudeurs’ is de Poolse schrijver Jerzy Kosiński. Hij schreef The Painted Bird, een boek over de verschrikkingen die een zesjarige jongen meemaakt in de Tweede Wereldoorlog in een Midden-Europees land (waarin wij met niet al te veel moeite Polen herkennen). Het werd een bestseller waarvan er wereldwijd 70 miljoen exemplaren verkocht zouden worden en die in meer dan dertig talen vertaald zou worden. Veel plezier heeft Jerzy Kosiński daar trouwens niet aan beleefd, want hij zou op 57-jarige leeftijd zelfmoord plegen.
Later bleek dat de jonge Jerzy helemaal niet eenzaam en verstoten over het Poolse platteland had gezworven, maar gedurende de hele oorlog veilig ondergedoken had gezeten, ergens in een dorpje in Zuid-Oost-Polen, geholpen door gezinnen (die trouwens woedend waren, omdat Kosiński hen naar hun idee zwart had afgeschilderd in zijn boek. Zo zie je maar weer dat zoveel mensen een boek heel letterlijk lezen, alsof een roman een gecodeerd dagboek is).
Voeg daarbij de beschuldigingen van plagiaat (zie de tussenkop ‘Success Marred by Scandal (A Star Burns Out)’ en het moge duidelijk zijn dat de ster van Kosiński na het aanvankelijke succes behoorlijk verbleekte.
In de zomer van 2020 ging ik met mijn gezin naar Polen. Ik nam toen als vakantielectuur The Painted Bird mee, niet vermoedend hoe heftig deze roman zou zijn (ik schreef daar eerder over). Kort na die vakantie las ik het boek uit en ik kwam tot de conclusie dat dit het gruwelijkste boek was dat ik ooit gelezen had.
Zo liep ik aan het begin van die korte vakantie in een park van Poznań. Daar, onder naaldbomen, scharrelden enkele onvermijdelijk schattige eekhoorntjes rond. Hun aanwezigheid bracht mij de gruwelijke scène in herinnering die in het eerste hoofdstuk van The painted bird van Jerzy Kosinski staat.
Daarin steken dorpsjongens, puur voor de lol, een eekhoorntje in brand. Ze overgieten het arme diertje met een brandbare vloeistof, steken die aan en als het beestje met een ijselijke kreet de geest geeft, porren de kwelduivels met een stok lachend in het nasmeulende lijkje. En toen was de hoofdpersoon wreed beroofd van de eekhoorn die hij kort daarvoor nog ‘my friend’ had genoemd.
Maanden na de zomervakantie zouden mijn vrouw en ik de verfilming van het boek zien. Er waren toen zeker zes mensen geweest die voortijdig de zaal verlieten, omdat de vertoonde beelden hun onverdraaglijk waren. Zo was er een scène waarbij een man die zijn vrouw van overspel verdenkt met de knecht de ogen van die knecht letterlijk uit zijn kassen lepelt, waarna de kat gaat spelen met een van de ogen die over de grond rolt. Ja, dat zijn geen scènes waarmee je graag een ontspannen, romantisch avondje uit inluidt.
Als ik nu lees over het twijfelachtige waarheidsgehalte en vermoedens van plagiaat, denk ik: het zal allemaal wel. Op zichzelf beschouwd, los van alle roddels, verhalen en beschuldigingen die zich aan het boek hebben vastgezogen, als lampreien die het bloed uit een warm, levend lichaam willen zuigen, dan is The painted bird gewoon een inktzwart maar prachtig boek.