
Eergisteren (19 augustus 2026) stond er een lang artikel in De Volkskrant, ‘Dit zijn, wereldwijd, de hoeders van de Nederlandse taal – en ze doen het met liefde’. Het gaat om studenten Nederlands, all over the world, pardon vanuit alle delen van de wereld, die op de een of andere manier iets hebben met onze schone Dietse taal: Michal uit Polen ‘houdt nu eenmaal van de klank van het Nederlands’, Duitse Dean heeft voor onze taal gekozen, ‘omdat ik de Nederlandse taal en cultuur echt mooi vind’ en bij de Tsjechische Petra bloeide de liefde voor het Nederlands op in de tien maanden dat ze als au pair in Den Haag woonde.
Vaak stuiten deze studenten thuis op onbegrip: waarom maakte Petra zo’n exotische keuze? In Nederland spreekt toch iedereen Engels, dus waarom zou je moeite doen om dat vreemde taaltje van dat volkje aan de Noordzee te leren? En ook Dean uit Duitsland stuitte op een vergelijkbaar vooroordeel: bij de westerburen spraken ze toch allemaal Duits? Also, wozu Niederländisch lernen, Dean?
Ik vond het leuk om te lezen dat buitenlanders specifiek voor het Nederlands hadden gekozen, vaak puur omdat ze de taal mooi vinden. Ik zou mezelf geen ‘hoeder van de Nederlandse taal’ willen noemen, dat vind ik veel te pretentieus, maar als schrijver/dichter die al vanaf zijn zesde met veel plezier in zijn moedertaal schrijft, doet het me wel goed dat een niet-Nederlander de taal mooi vindt die ik vanaf mijn allereerste levensdagen ‘om zijn oren kreeg’ en waarvoor ik sindsdien een levenslange liefde heb opgevat.
Hoewel ik mijn moedertaal dus een warm hart toedraag, wil ik er wel voor waken dat ik té puristisch word en ik wil voorkomen dat ik anderen constant loop te verbeteren (hoewel dat bij mij – zoon van een leraar en zelf ‘brooddocent’ – natuurlijk wel op de loer ligt). Zelf probeer ik zo zorgvuldig mogelijk te formuleren, in woord en geschrift, maar ik wil niet die schoolfrik worden die constant met zijn corrigerende vingertje loopt te wapperen. Dan word je op een gegeven moment een roepende in de woestijn (én een irritante malloot).
‘Hun zeggen’, ‘Ik irriteer me daaraan’, ‘De bosbranden breiden uit’, ‘In de morgen valt regen”, ‘het meisje die..’ (in plaats van ‘Zij zeggen’, ‘Ik erger me daaraan’, ‘De bosbranden breiden zich uit’, ‘In de morgen valt er regen”, ‘het meisje dat..’), je kunt je eraan ergeren, maar een taal is als een democratie: de meerderheid beslist. En in de bovenstaande gevallen heeft de meerderheid zich al uitgesproken: al deze vormen zijn volgens de Van Dale gewoon goed, al zal het voor veel taalpuristen ‘een gruwel in de oren des Heeren’ zijn. Maar de oerwet bij een taal is nu eenmaal: als iedereen het fout doet, is het vanaf dat moment goed. Dat is hoe een taal werkt en als je écht van een taal houdt, moet je je niet verzetten tegen dit soort veranderingen; een taal evolueert en dan gaan bepaalde woorden/uitdrukkingen onherroepelijk verloren, of je het nu leuk vindt of niet. En wie maalt er nog om het verdwijnen van – op zich prachtige – woorden als ‘afbiljoenen’, ‘blauwschuit’, ‘giegagen’, ‘komijnsplitser’, ‘neutelarij’, ‘schabouwelijk’ en – mijn persoonlijke favoriet – ‘schrimpeljeuzig’?
Iets waar ik dan veel minder welwillend tegenover sta, is het onnodige gebruik van het Engels in Nederland. In mijn woonplaats hoorde ik eens een studente tegen haar vriend zeggen: ‘Ik heb vandaag een hele tijd in het huishouden gewerkt en dat was heel satisfying.’ (Wat is er tegen: ‘Dat gaf me veel voldoening’?). Of: ‘Dat was nice/chill‘, in plaats van ‘mooi/leuk’. ‘Airline’ in plaats van ‘luchtvaartmaatschappij’, ‘debated issue’ in plaats van ‘waar we het over hebben’, ik vind dat onnodig gebruik van het Engels in ons taalgebied.
En ja, als we dan toch bezig zijn: ik kan er ook slecht tegen dat mijn bestelling in een Nederlandse horecagelegenheid terugketst op een ‘No Dutch’. Ik had dat onlangs nog op de terugreis van mijn zomervakantie. Ik zat op het terras van Hajé in de polder. Een Indiaas ogende serveerster die op zich heel vriendelijk oogde en inderdaad ook aimabel was, zei meteen dat ze de Nederlandse taal niet machtig was, toen ik een bestelling van ’twee sinaasappelsap’ bij haar probeerde te plaatsen. Nu spreek ik meer dan genoeg Engels om dezelfde bestelling in de taal van Shakespeare te doen en ik vind Engels echt een prachtige taal, maar ik vind het behoorlijk irritant dat je in je eigen land niet eens in je eigen taal bediend wordt. Ik realiseer me dat ik mijzelf met die uitspraak bij het jeugdige deel van de bevolking diskwalificeer als ‘ouwe zeikerd’. Nou ja, dan is dat maar zo.