
Vandaag (31 januari 2026) lees ik op de voorpagina van De Volkskrant de 150 woorden-column van Paulien Cornelisse. Haar krantenhoekvullertje over hoe zij vroeger met haar ouders in de trein naar Frankrijk ging, bracht mij een gesprek – of liever gezegd, een in de knop gebroken gesprek – in de trein naar Parijs in herinnering.
Ik was begin twintig en zat met mijn vrouw in een coupé voor zes man in de trein die ons naar de Lichtstad ging brengen voor een verblijf van enkele dagen bij Parijse vrienden.
Ergens in Noord-Frankrijk ging een echtpaar van middelbare leeftijd tegenover ons zitten. De man sprak ons op een gegeven moment aan. Wat hij zei weet ik na al die jaren niet meer, maar zijn vrouw beet hem op even zachte als besliste toon toe: ‘Tu ne vas par leur raconter toute ton histoire!’, je gaat hun niet je hele levensgeschiedenis vertellen.
De man brak dadelijk zijn relaas af, maar bleef ons wel aankijken met zijn blauwe, waterige ogen – wat weemoedig, kon ik mij verbeelden. Ik was te verbluft door de vinnige interruptie van zijn echtgenote om iets te zeggen of anderszins te reageren.
De rest van de reis heerste er een wat ongemakkelijk zwijgen in de coupé. Mijn vrouw en ik zwegen, de Franse vrouw ontweek onze blik, keek de hele tijd weg van ons met een wazige, kwezelige glimlach op haar gezicht en zei verder geen woord meer. Ik richtte van tijd tot tijd mijn blik even op de man.
Wat me opviel was dat het bovenste deel van zijn korte, dikke vingers vanaf het eerste kootje wat scheef op de rest van de vingers stond. Alsof zijn vingers allemaal bij het eerste kootje waren gebroken en de delen van de vingers in het daaropvolgende helingsproces niet goed aan elkaar waren gegroeid. En boven zijn knokkels zaten er putjes in het vlees van zijn beide handruggen. Dat zou een bewijs van zijn bewogen levensgeschiedenis kunnen zijn waarvan zijn vrouw niet wilde dat die naar buiten kwam.
Was hij wellicht gemarteld? Had hij een ernstig ongeluk gehad? Door de zwijgoplegging van die vrouw ging mijn fantasie als vanzelf met mij op de loop.
Ik was nog jong en bezat niet de durf om de vrouw te vragen wat de reden was van haar ruwe interventie. En ik waagde het ook niet om de man, tegen de wil van zijn echtgenote, zijn hele levensgeschiedenis te ontlokken. Nu ik eraan terugdenk, vraag ik mij af welk bizar of schokkend levensverhaal door dat spreekverbod voor altijd verborgen is gebleven voor mij en mijn vrouw.
Nu scheelt het dat ik schrijver ben; het staat me dus vrij naar hartenlust te speculeren over het ‘waarom’: waarom moest die vrouw haar man zo bruusk het zwijgen opleggen? Wat was daar zo erg aan, dat de buitenwacht het absoluut niet mocht weten?
Het zou de beginzin van een roman van mijn hand kunnen zijn: ‘Je gaat hun niet je hele levensgeschiedenis vertellen’. En wat volgt is het fantaseren van de ik-persoon over de bewogen levensloop van een onbekende oude man die achter dat zwijgen verborgen gaat.
O ja, deze weblogbijdrage heeft deze keer een Franse titel. Het is een woordspeling: een ‘récit coupé’ is tegelijk een afgebroken verhaal en een verhaal dat je hoort in een treincoupé.