
Vandaag (6 juli 2026) stuit ik op dit artikel met de niet bepaald pakkende kop: ‘Liever Gelderland dan Spanje: steeds meer Nederlanders vieren vakantie in eigen land: ‘Praktischer dan opgesloten zitten in een resort’ (in de dode bomenversie heeft het stuk de heel wat pakkender kop ’25 minuten rijden en het is vakantie’).
Het artikel beschrijft een hedendaagse tendens: steeds meer landgenoten kiezen ervoor om de zomervakantie in eigen land door te brengen. Afzakken naar het zonnige zuiden – iets wat in het verleden bijna een automatisme was voor mensen uit Pays-Bah! – is niet langer vanzelfsprekend voor ons Nederlanders. De reis naar Zuid-Frankrijk of Noord-Spanje is vandaag de dag te duur geworden, men vreest de extreme temperaturen daar (met de daarmee gepaard gaande risico’s op bosbranden en de daaruit voortvloeiende evacuaties) en de ‘geopolitieke onrust in de wereld’ speelt ook een rol.
Voor een zomervakantie in eigen land valt natuurlijk wat te zeggen: er is geen taalbarrière, je hoeft niet lang in de auto te zitten, je hoeft geen dure overnachtingen te boeken op weg naar je vakantiebestemming en als je ziek wordt, ben je in een oogwenk weer thuis. Allemaal voordelen.
Toch zijn al die pluspunten niet aan mij besteed. Ik zit volledig op de lijn van Elsbeth Kuus in het artikel die met haar familie naar Montpellier gaat. Elsbeth wil in de vakantie juist weg van het bekende: ‘Je komt eens andere mensen tegen, hebt ander eten en een andere cultuur’ vat zij de charme van een vakantie in den (verre) vreemde samen.
Dat is voor mij ook precies de aantrekkingskracht van een zomervakantie ver weg van Nederland. Je hoort het hele jaar al je eigen taal om je heen en dat landschap van weilanden, polders en brave bossen gaat je na al die tijd ook wel eens de keel uit hangen; daarom wil ik in mijn vakantie graag een uitdagender landschap zien (hooggebergte!), met verrassende waarnemingen van allerlei dieren; bij voorkeur vogels, maar niet alleen: bij het zien van een boommarter (wat mij overkwam in het Thüringer Wald) of een das (in de Pyreneeën) word ik ook heel enthousiast.
In een van mijn vakantiedagboeken formuleerde ik het eens schertsend aldus: ‘In de vakantie wil ik andere klanken om mijn oorschelpen, andere geuren om mijn neusvleugels, andere smaken om mijn papillen, andere vrouwen om mijn…o nee, die laatste hoort er niet bij.’ (En voor de goede orde: mijn vrouw leest die vakantiedagboeken gewoon)
Ik zal hierin wel weer typisch een Nederlander zijn, maar ik probeer in het buitenland altijd wel angstvallig mijn landgenoten te mijden. Mijn ervaringen met Nederlanders in het buitenland zijn over het algemeen nu eenmaal niet bepaald prettig.
Zo stond ik bijvoorbeeld in 2008 in Kroatië op een camping. Ik raakte in het toiletgebouw aan de praat met een Nederlander die ‘nog net zo kampeerde als in de tijd dat hij verkering had’. Wrevelig dacht ik toen: ja, en? Is dat een deugd of zo? Meneer gebruikte geen stroom en had er geen begrip voor dat ik dat wél deed; ik had een zoon van vier en voor hem moest ik nog potjes eten opwarmen en daar had ik toch elektriciteit voor nodig? Begon ik me ook nog te verdedigen tegenover zo’n lul!
Toen ik die vent later in de avond nog een keer tegenkwam in het toiletgebouw, zag ik dat hij zijn telefoon daar stond op te laden, dus zo zuiver in de leer als nietstroomgebruiker was hij nou ook weer niet.
In de loop der jaren heb ik meer van die onaangename sujetten meegemaakt, die je, volledig onnodig, de boel probeerden te verzieken.
Ik kan dus slecht tegen Nederlanders die mij in het buitenland ongevraagd afzeiken en ik zal hen over enkele weken, als ik naar het buitenland zal vertrekken, bij een onvriendelijke confrontatie dan ook stevig van repliek dienen. Mijn landgenoten zijn gewaarschuwd.