Er zullen heel weinig mensen bij stilstaan, maar vandaag (4 januari 2025) is het precies 65 jaar geleden dat de Franse schrijver/filosoof Albert Camus de dood vond. Ik ben een groot bewonderaar van hem, vandaar dat ik wél aandacht besteed aan zijn sterfdag.
Camus’ veel te vroege dood (hij werd maar 46 jaar oud) was te wijten aan een auto-ongeluk: zijn uitgever, Michel Gallimard, zat op die bewuste dag aan het stuur van een Facel Vega, waar helaas ook de man in zat die in 1957 de Nobelprijs voor Literatuur had gewonnen en die op dat moment nog zoveel mooie boeken in zich leek te dragen (saillant detail: op de dag van zijn overlijden droeg Camus het manuscript bij zich van Le premier homme (in Nederland verschenen onder de titel De eerste man).
Gallimard raakte van de weg af en parkeerde de Franse bolide tegen een plataan. Met voor Camus, maar ook voor hemzelf, dodelijk gevolg.
Was de oorzaak de hoge snelheid (180 km/u, op een provinciale weg) of een klapband? De weg was op dat traject geheel recht en er was dus geen echte reden om van de weg af te raken…
Of was het MOORD? In deze tijden, waarin allerlei complottheorieën erin gaan als koek, kan het aantrekkelijk zijn om de dood van een van Frankrijks beroemdste filosofen toe te schrijven aan een complot, en Giovanni Catelli, een Italiaanse universitaire wetenschapper, heeft er een heuse studie aan gewijd. En een krant die toch bekend staat als een kwaliteitskrant, de Corriere della sera, laat hem daarover schrijven in haar kolommen.
Als eveneens serieuze media als De Volkskrant en zelfs The Guardian (die men toch niet direct in verband brengt met sensatiejournalistiek) er een artikel aan wijden, dan zou het best eens WAAR kunnen zijn.
Ondenkbaar is het zeker niet: Camus had zich in krachtige termen uitgesproken tegen de inval van de Sovjet-Unie in Hongarije in 1956 en hij had het gewaagd de toenmalige Russische Minister van Buitenlandse Zaken Dimitri Shepilov persoonlijk aan te vallen. Dat zouden redenen geweest kunnen zijn Camus van kant te laten maken door de KGB.
Hoe dan ook, de dood van Camus kwam veel te vroeg. En, zoals dat gaat met mensen die ontijdig sterven (hoewel… wie sterft er eigenlijk ’tijdig’? Doch dit terzijde), daardoor krijgen zinnen die ze geschreven hebben of uitgesproken ineens een andere lading.
Zo gaan we de overpeinzingen van Meursault in L’Étranger ineens ook in een ander licht zien (ik realiseer me dat het onderstaande citaat nogal lang is, maar ik vind het wel een belangrijk (en mooi) citaat waaruit je eigenlijk geen zin kunt weglaten):
‘Dans le fond, je n’ignorais pas que mourir à trente ans ou à soixante-dix ans importe peu puisque, naturellement, dans les deux cas, d’autres hommes et d’autres femmes vivront, et cela depuis des milliers d’années (…) C’était toujours moi qui mourrais, que ce soit maintenant ou dans vingt ans. À ce moment, ce qui me gênait un peu dans mon raisonnement, c’était ce bond terrible que je sentais en moi à la pensée de vingt ans de vie à venir. Mais je n’avais qu’à l’étouffer en imaginant ce que seraient mes pensées dans vingt ans quand il me faudrait quand même en venir là. Du moment qu’on meurt, comment et quand, cela n’importe pas, c’était évident.’ (In wezen wist ik heel goed dat het er weinig toe doet of je nu doodgaat op je dertigste of op je zeventigste, aangezien er in beide gevallen natuurlijk andere mannen en vrouwen zullen leven en dat gedurende duizenden jaren. Ik zou het zijn die zou sterven, of het nou was op dit moment of over twintig jaar. Wat me op dat moment enigszins stoorde in mijn redenering was die vreselijke impuls die ik in mij voelde van de twintig jaar die nog voor mij zouden kunnen liggen. Maar dat gevoel kon ik onderdrukken door me voor te stellen wat mijn gedachten zouden zijn over twintig jaar, als je toch op dat punt zou moeten aanlanden. Op het moment dat je doodgaat doet het er niet toe hoe en wanneer dat is, dat was me zonneklaar.’)
Jaren geleden schreef ik het gedicht Het Absurde (Camus wordt wel gezien als de ‘filosoof van het absurde‘) over het dodelijke ongeluk dat Camus overkwam. Het staat in de rubriek ‘Gedicht van de week‘, om Camus op zijn sterfdag te eren.