
In de dagen na thuiskomst doe ik dingen waarmee veel mensen zich bezig zullen houden als ze na de zomervakantie het slot van hun voordeur open hebben gedraaid en hun wat bedompt ruikende huiskamer weer hebben betreden: de vakantiespullen schoonmaken en opruimen, een paar wasjes draaien (omdat vuile kleren in campingwasmachines nooit zo schoon worden als thuis) en de kranten van de afgelopen weken lezen.
Terwijl ik die woorden opschrijf, bedenk ik dat die laatste handeling wellicht door nog maar weinig mensen wordt uitgevoerd, want wie leest er vandaag de dag nog de dodebomenvariant van een krant? Nou, ik dus.
Goed, ik ben de eerste week na thuiskomst druk bezig met het doorlezen van de uitgaven van De Volkskrant die de afgelopen drie weken op mijn deurmat zijn geploft en die mijn zoon keurig voor mij op een stapel heeft gelegd. Zo ook vandaag (6 augustus 2026).
Ik stuitte daarbij, in De Volkskrant van 14 juli 2026, op een artikel over de reclamekaravaan die voorafgaat aan de stoet wielrenners die verschijnen in het kielzog van die bonte optocht van praalwagens waar allerlei promotiemateriaal wordt afgeworpen.
Verslaggeefster Maud Wiersma mocht een dag meerijden met de caravane publicitaire. ‘La caravane du Tour’ maakt sinds 1930 deel uit van de Tour de France, duurt een half uur en vertegenwoordigt 30 merken, lees ik. De functie van die publiciteitsoptocht, zo hoor ik een deelnemer aan de reclamekaravaan verklaren, is om ‘de weg te openen voor de coureurs’ en ‘om de sfeer, de menigte op te warmen’ (‘C’est nous qui ouvrons la route en fait aux coureurs, on chauffe l’ambiance, on chauffe la foule’).
Het artikel voerde me terug naar de zomervakantie van 2015. Ik bracht die met vrouw en zoon deels door op een camping ergens tussen Grenoble en Gap.
Ik kwam er door toeval achter dat de renners van de Tour de France die dag (23 juli 2015) door het dorpje zouden koersen waar wij vlakbij op een camping stonden.
Die morgen liep ik om kwart voor zes naar het toiletgebouw en zag een Duits echtpaar in een camper stilletjes vertrekken. Ik vond dat verdacht en hoewel ik geen N.S.B.-mentaliteit heb, meldde ik dit in mijn ogen stiekeme verlaten van de camping door die wel heel matineuze gasten aan de campingbeheerster Sylvie. Ze bedankte mij lachend (‘Mais merci, c’est gentil’) voor mijn melding, maar ze zei dat die mensen zo vroeg van het kampeerterrein afreden, omdat ze de afsluiting van de RN 85 voor wilden zijn: die route nationale zou die dag tussen 9.00 u. en 15.00 u. namelijk niet toegankelijk zijn voor verkeer, aangezien de coureurs van de Tour de France in dat tijdvak zouden passeren.
Hoewel ik niets met wielrennen heb, wilde ik dat spektakel niet missen. Van Sylvie hoorde ik dat de Tour de France-renners om 11.30 u. door het dorp zouden koersen (in een plaatselijke krant zou ik later lezen dat ze pas iets na half twee zouden passeren, maar Sylvie doelde waarschijnlijk op de reclamekaravaan die aan de eigenlijke stoet renners voorafging). Samen met vrouw en zoon stelde ik me rond 11.15 u. op bij de doorgaande weg.
Achteraf was die reclamekaravaan leuker dan het aanschouwen van de passage van de renners, want die was na een minuut voorbij, terwijl die promotieoptocht een half uur duurde. Die karavaan van sponsorenauto’s was echt een spektakel op zich. Het leek wel een carnavalsoptocht, met grappig uitgebouwde auto’s.
Mijn zoon en ik maakten er een sport van om zoveel mogelijk de aandacht op ons te vestigen van de voorbijrazende wagens en zodoende zoveel mogelijk pennen, plastic armbandjes, sleutelhangers, petjes, etc. te verzamelen. Soms hadden we daarbij pech: dan haalde een inzittende van zo’n omgebouwde reclameauto net nieuw promotiemateriaal uit de verpakking en dan waren ze al lang en breed voorbij op het moment dat ze dat reclamemateriaal uit konden strooien over het gretig daarnaar grijpende publiek.
Na die reclamekaravaan viel er een gespannen stilte, de stilte voor de storm: over enkele minuten zouden de coureurs als een wervelwind door het dorpje razen. Ongelooflijk maar waar, maar ik was gespannen voor de komst van de renners. André Degen, die altijd bij hoog en bij laag beweert dat ‘hij helemaal niet heeft met wielrennen’ stond zenuwachtig te wachten op de komst van Tour de France-coureurs. Nou vraag ik je!
Iets na half twee kwamen er vijf helikopters opduiken vanachter de bergwand die zuidelijk lag van de N 85 waarover de renners zodadelijk aan zouden komen sprinten. Het was alsof ze gezamenlijk naar een plek toe vlogen waar een terroristische aanslag had plaatsgevonden. Ja, een wat vreemde gedachte misschien, maar die doorkruiste mijn hoofd op dat ogenblik.
Ik keek eens achter me. Vanaf de berg waarachter die vijf wentelwieken even daarvoor waren verschenen kwamen de renners naar beneden zoeven. Vanaf die plek was het nog enkele minuten naar de plaats waar wij aan de doorgaande weg stonden te wachten.
En daar kwamen de eerste coureurs al de hoek om! Het was een indrukwekkend gezoef toen ze langs ons raasden. In een flits zag ik de geletruidrager voorbijschieten. Was dat niet Froome, de latere Tour-winnaar? Meteen achter de kopgroep kwamen de materiaalwagens voorbij. Het peloton volgde op enige afstand, daarna passeerden nog enkele materiaalwagens, vervolgens kwam er een escorte gendarmes voorbij en toen een politiebus met een bord achterop dat vermeldde: ‘Fin de la course’, oftewel: einde van de rit.
Terug op de camping, in de receptieruimte, keken we mee met campinggasten (overwegend Fransen), die commentaar gaven op de verrichtingen van de diverse renners. Tijdens de spectaculaire afdaling van klassementsleider Chris Froome draaide een Fransman zich om naar mij en maakte het gebaar van drugs injecteren en ik kon niet nalaten te denken: ja hoor, stelletje chauvinisten; als het geen Fransman is die op kop ligt in de Tour de France, dan moet er wel doping in het spel zijn volgens jullie.
Ach ja, Roland Barthes schreef het in 1957 al: ‘le Tour est une grande épopée’, de Tour is een groot epos. En voor Fransen moet de held daarin een Fransman zijn.