Waarom mijn bezoek aan Diever dit jaar extra sjeu kreeg

Afgelopen zaterdag (30 augustus 2026) kwam ik terug van mijn jaarlijkse bezoek aan Diever. Trouwe lezers van dit weblog weten dat ik in elke nazomer een weekend naar het Drentse Shakespeare-dorp ga (een traditie die ik al 41 (!) jaar in stand houd), om er de opvoering bij te wonen van het stuk van De Grote Bard uit Stratford-upon-Avon dat dat jaar op het programma staat. Dit jaar was dat As you like it.

Het zou alleen een ander Diever-weekend worden dan voorgaande jaren – in de goede zin dan. Dat begon al op de vrijdagavond. Zittend in onze blokhut op de camping memoreerde ik net tegenover mijn vrouw dat we in de 41 jaar dat we in Diever komen maar een keer of drie, vier de roep van de bosuil hebben gehoord. En verdomd: de woorden hadden mijn mond nog niet verlaten, of de roep van het mannetje van de Strix aluco klonk luid door het bos (je gaat bijna geloven in de scheppende kracht van de woorden van een schrijver…). En even later liet ook het vrouwtje zich horen. Op de een of andere manier was dit voor mij het bewijs dat dit een bijzonder weekend ging worden. En dat bleek ook zo te zijn.

Na een traditioneel rondje langs de Dieverse middenstand, op de zaterdagmiddag vóór de opvoering van As you like it, streek ik met mijn vrouw neer in ’t Keernpunt in Diever, een gezellig, tamelijk oubollig restaurant aan de brink. Weinig schokkend, geef ik grif toe. Maar in dit brave, burgerlijke tafereeltje kwam voor mij verandering, toen ik iemand naar het terras zag schuifelen die ik meende te herkennen. Was dat niet…ja, ja, dat was hem echt: Mick Taylor! De fantastische gitarist die voor sommigen te braaf leek voor The Rolling Stones, met zijn engelengezicht en zijn blonde lokken, maar die toch maar mooi ruim vijf jaar had uitgemaakt van The Greatest Rock & Roll Band in the world (en ook nog in een van hun beste periodes en creatief belangrijke bijdragen had geleverd aan meerdere songs). Ik wist dat hij al een aantal jaren een teruggetrokken leven leidde in het Drentse Diever.

Ik zat een tijdje te dubben: zou ik wel of niet naar hem toegaan? Ik was tenslotte geen dweepzieke puber meer, dus het leek nogal overdreven om een (gewezen) popster aan te spreken. En ik wist dat Mick Taylor zich niet voor niks uit de publiciteit had teruggetrokken. Dat was niet om zich te laten aanspreken door wildvreemden.

Aan de andere kant: als ik niet naar hem toe zou gaan en hem nu niet aan zou spreken, dan kon ik er wel eens spijt van krijgen. Tenslotte was Mick Taylor wel een van de grote gitaristen van de rock and roll die ik bewonderde: hij had in dezelfde groep gespeeld waar ook andere groten als Eric Clapton en Peter Green (in John Mayall & The Bluesbreakers) de snaren hadden beroerd. Verdomme, ik deed het gewoon! Nee had je, ja kon je krijgen, luidde toch het cliché? Ik zou op Taylor afstappen en als hij me niet te woord wilde staan, dan zou ik mijn verlies nemen en naar mijn zitplaats terug gaan (en daar in snikken uitbarsten, mijn wonden likken en mijn verdriet verdrinken in een sloot drank – maar dat is een ander verhaal). Maar het liep – gelukkig – anders.

Mick Taylor zat druk te appen, maar ik sprak hem aan. Hij keek enigszins gestoord en verwilderd op, maar desondanks ontspon zich een gesprek waarin, onder andere, Brian Jones voorbijkwam (‘I never met the guy’), die ik – wellicht wat devoot – ‘a genius’ noemde, waar Taylor niks van wilde weten: ‘What is a genius?’ Ik: ‘Frank Zappa’. Dat kon hij wel met me eens zijn. En hij noemde Frank ‘a very good guitar player’, waar ik een schepje bovenop deed door Zappa ’the best guitar player in the world’ te noemen, een predicaat dat Frank destijds nota bene van niemand minder dan Jimi Hendrix had gekregen). Verder passeerden Keith Richards (van wie Taylor fijntjes de artrose noemde) en Mick Jagger (van wie hij de leiderschapskwaliteiten roemde) de revue.

Taylor vond Sticky Fingers een heel goed album, maar toen ik Exile on Main Street noemde (door velen toch geroemd als een van de beste albums van de Stones, zo niet van de hele popmuziek), reageerde hij maar flauwtjes. Ik kwam er in het korte gesprek niet achter waarom hij niet warmliep voor dit dubbelalbum uit 1972.

Taylor noemde zichzelf – en dat leek geen valse bescheidenheid – ‘an ordinary guy, with a talent to play the guitar’. En als ik eerlijk ben, was dat ook zo: Taylor oogde niet als een showman met een enorm charisma, maar als een tamelijk onopvallende man die wat moeilijk liep (hij was tenslotte al 77) en die een einzelgänger leek. En dat beeld klopte wel met het verhaal dat ik over hem gelezen had en dat hij mij in het kort ook vertelde: hij was eind 1974 uit de muziek business gestapt, om niet ten onder te gaan in de drugs.

Ik had het met Taylor nog over zijn reden om The Rolling Stones te verlaten (precair onderwerp natuurlijk, want voor hetzelfde geld lag het zo gevoelig dat Taylor het gesprek onmiddellijk zou beëindigen). Ik citeerde een uitspraak van hem die erop neerkwam dat hij nog een jaar in de band niet overleefd zou hebben (Taylor raakte door het bandleven verslaafd aan de heroïne). Wat gekweld keek Taylor me aan en zei: ‘I thought: what’s the point of having two addicted guitar players in a band?’ Ja, daar zat wat in.

Op de website Far Out, ’the number one website for culture news in the world’, lezen we over Taylors vertrek: ‘It looks like Taylor does not regret the decision. “It doesn’t necessarily follow that because you’re in a successful rock ‘n’ roll band, you’re going to stay in a situation like that and be satisfied,” he said. “For me, it was personally restricting. I had to move on and do something else.” En dan komt het: “Perhaps the crux of the matter lies in the following quote from Taylor: “To ask if I regret leaving the Rolling Stones is to ask the wrong question. The hard one to answer is, ‘do I regret joining them?’” Want door je aan te sluiten bij zo’n beroemde popgroep stort je je natuurlijk in een duizelingwekkende maalstroom van drank en drugs.

We praatten zo een tijdje en toen zei Taylor ineens: ‘I wanna meet your wife.’ Oké, Mick, wat jij wilt. Enigszins verbaasd ging ik hem voor ’t Keernpunt in en stelde hem voor aan mijn vrouw. Die stelde de logische vraag of ze een foto mocht nemen, maar daar was Taylor heel categorisch in: met wijd opengesperde ogen keek hij mij aan en zei heftig: ‘No photographs!’ Oké, dat was duidelijk. Ik weet wel: pics or it didn’t happen, maar dat is dan jammer, dan is het voor de wereld maar niet gebeurd. Ik weet zelf dat dit wel degelijk heeft plaatsgevonden.

(Zoiets verzin je niet: na al die jaren in Diever kom ik eindelijk Mick Taylor in levende lijve tegen, circuleert er nog geen vier dagen later een bericht op internet dat hij dood is. Gelukkig bleek dat een hoax te zijn).

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *