
2000 mijn vakantie doorbracht.
Een nogal wrang bericht dat ik gisteren, 5 mei 2026, nota bene op Bevrijdingsdag dus, tegenkwam op NOS Nieuws: ‘China wist Tibetaanse cultuur uit met verbod op Tibetaans op kleuterschool’. Het wordt gesteld door Human Rights Watch en dan is het WAAR.
Dit proces van uitwissing was ook al lang en breed aan de gang toen ik in de zomer van 2000 mijn vakantie doorbracht in Tibet (officieel heet het land trouwens, in het Chinese propagandajargon, ‘Tibet Autonomous Region’, maar die term weiger ik te gebruiken, omdat het zo’n flagrante schending van de waarheid is: Tibet is beslist niet autonoom, maar een bezet land).
‘The Tibet Autonomous Region (TAR), often shortened to Tibet, or referred to in Chinese as Xizang, and in Tibetan as Bod (Tibetan: བོད)is an autonomous region of the People’s Republic of China’, staat er overigens unverfroren op Wikipedia en dat vind ik nogal schokkend, want, zoals hierboven gezegd, Tibet is een land dat zucht onder een meedogenloze bezetting – en dat al sinds 1950.
Op 7 oktober 1950 vielen Chinese troepen Bod (de oude naam voor Tibet) binnen, ‘zonder enige legitieme rechtsgrond’, zoals staat te lezen op de website tibet.nu.
‘Wat volgde na die brute Chinese inval’, schreef ik in de inleiding van mijn vakantiedagboek over Tibet, ‘was een drama die zijn weerga niet kent in de wereldgeschiedenis: 1,2 miljoen doden, 100.000 verdrevenen, 6000 boeddhistische kloosters verwoest en het milieu compleet geruïneerd.’
Gelukkig was dat laatste niet helemaal waar en viel er in de zomer van 2000 voor mijn vrouw en mij qua natuurschoon in Tibet nog genoeg te genieten.
Maar na drieënhalve week rondtrekken over het ‘land ‘Dak van de wereld‘ had ik mijn buik wel vol van alle tekenen van de Chinese overheersing.
Zo zag ik in Lhasa Chinese vrouwen die hun nuffige neusjes ophaalden voor Tibetanen die een eerbiedige groet brachten aan de Potala in Lhasa, ooit de residentie van de geestelijk leider van Tibet, de Dalai Lama.
Terugkomend van een trip naar Samye (waar we illegaal heen waren gereisd, omdat je voor een excursie daarnaartoe ineens een permit nodig bleek te hebben) zag ik, bij het binnenrijden van Lhasa, een eindeloze rij Chinese legertrucks een militair terrein op gedirigeerd worden.
En nog een staaltje van de Chinese hegemonie over het Tibetaanse volk vond ik in het Tibet Museum in Lhasa. Ik vond dat ik dit gezien moest hebben, maar daarvoor moest ik wel een enorme weerzin overwinnen. Het bleek namelijk – niet heel verrassend – een tempel van Chinese propaganda te zijn. Dat werd me meteen bij binnenkomst al duidelijk. Daar hing namelijk een affiche dat gewag maakte van de ‘bevrijding’ van Tibet en de blijdschap van de Tibetanen over die ‘liberation’.
Ik moest me echt inhouden om dat aanplakbiljet niet woedend van de muur te rukken, maar die actie zou geen enkele zin gehad hebben: de daar rondlopende Chinese toeristen zouden je niet-begrijpend, afkeurend of wellicht ronduit vijandig aangekeken hebben. En de Tibetaanse zaak zou je met deze impulsieve eenmansactie geen goed hebben gedaan. En de Chinese overheid zou je het land uitgezet hebben, al dan niet na het betalen van een fikse boete. Nee, ik moest die propaganda maar gelaten slikken.
Verderop in het museum, tijdens het lezen van de bijschriften van de uitgestalde artefacten, werd de door de Chinese machthebbers gevolgde strategie duidelijk: door zich in die begeleidende teksten uit te putten in ‘bewijzen’ dat de Chinese en de Tibetaanse geschiedenis door de eeuwen heen met elkaar verweven waren, werd de oeroude hechte band tussen Tibet en het ‘moederland’ China benadrukt.
Toen dat eenmaal voldoende was aangetoond, kon men onbekommerd de loftrompet steken op folkloristische aardigheidjes van de Tibetanen; die waren door die slinkse geschiedvervalsing onschuldig gemaakt, ‘aaibaar’ geworden (‘Kijk eens, wat alleraardigst, die yakgevechten!’).
In Shigatse, een stad die in 2000 nog het minst door de Chinese invloed aangetast heette te zijn, maar waar toch nog een schrikbarend aantal foeilelijke Chinese gebouwen stond, liet ik mij verleiden (ingegeven, eerlijk is eerlijk, door inname van enkele flessen bier) tot een politiek riskante uitspraak over de Chinese bezetting. En dat nota bene tegenover een CITS (China International Travel Service)-medewerker, toen ik me bij hem moest melden voor het regelen van een permit. Bij aankomst in Shigatse had ik hem nog wel gehouden voor een marionet van de Chinese regering, dus waarom ik juist tegenover hem zo loslippig was, was me zelf een raadsel. Maar hij bleek geen fan van het Chinese regime te zijn, want toen ik aan hem vroeg: ‘Will Tibet ever be free again?’, antwoordde hij : ‘The Tibetans are very angry inside, but the Chinese have too much power.’ En daarmee had hij de tragische situatie van het Tibetaanse volk zeer treffend samengevat.