Aan de bosrand waagden twee gaaien de oversteek
van een wak in de sneeuwzwangere lucht.
En ik dacht aan mijn oude angst
voor het kwijlende monster uit het bos.
Onder de dekking van mijn ouders
zat ik destijds in een vakantiehuisje
alleen stil te griezelen.
Geen gordijnen, dus het beest uit het bos
kon ongehinderd naar binnen loeren.
Iedereen weet: vanuit het donker
in het volle licht bestaard worden
maakt je tot konijn in koplamp.
Wanneer het plompverloren
voor het raam stond te staren
keek ik naar mijn ouders:
Zagen zij het dan niet?
Ik kon zijn rauw raspende ademhaling
gewoon horen door het glas.
Hoe kon je dat niet opmerken?
Wat prees ik mijn ouders gelukkig!
Soms stuurden ze mij het terras op:
Een paar houtblokken halen voor de haard.
Ik durfde dat niet te weigeren;
met een dubbele huiver rende ik naar het houthok
elk moment de scherpe tanden in mijn nek verwachtend.
Terug in het huisje bij een vervaarlijk loeiende haard
wist ik dat het monster op afstand zou blijven
zolang de houtblokken het vuur onderhielden.
Maar wanneer ik eenmaal in mijn bed lag
en het beest ongehinderd door vuur en licht
in steeds nauwere cirkels ’t huisje omklemde
wist ik dat alleen strikte roerloosheid
mij voor verscheurd worden kon behoeden.
Nu weet ik: het gevaar komt niet van buitenaf,
de ergste monsters vreten zich van binnenuit.
© André Degen