De lente komt van ver, ik hoor hem komen!

Een waterpartij midden in het Asserbos.

Afgelopen zaterdag (7 maart 2026) was ik in Assen – en dan de meeste tijd in het Asserbos (een van de oudste bossen van Nederland, lees ik op Wikipedia).

Ik wist dat het zaterdag een prachtige dag zou worden, dus ik wilde wandelen – en dat urenlang. Mijn eigen stad ken ik zo langzamerhand wel (het ontdekken van mijn woonplaats had ik in de coronaperiode tot mijn bescheiden missie gemaakt), dus ik wilde dat het startpunt van mijn wandeling die dag in ieder geval buiten Groningen zou liggen. En Assen was dan een tamelijk voor de hand liggende bestemming: met de trein was dat maar twintig minuten reizen en Assen bezat dus – ook nog eens niet ver van het station – een prachtig bos.

Ik ging wandelen onder het prachtige motto uit Ecce homo van mijn favoriete filosoof (en fervent wandelaar) Friedrich Nietzsche die oproept om erop uit te trekken:

‘So wenig als möglich sitzen; keinem Gedanken Glauben schenken, der nicht im Freien geboren ist und bei freier Bewegung – in dem nicht auch die Muskeln ein Fest feiern…’ (“Zo min mogelijk zitten; geen enkel gedachte vertrouwen die niet in de open lucht is geboren en bij vrije beweging – en waarin niet ook de spieren een feest vieren.”). Oftewel: blijf niet stilzitten, ga wandelen, want alleen gedachten die je al wandelend en in de open lucht krijgt zijn de moeite waard.

Ik had mijn verrekijker meegenomen, want in een van de oudste bossen van Nederland, met zelfs nog 10 hectare ‘oerbos‘ (al is ‘oer’ in ons kunstmatige, uit het water gestampte landje natuurlijk zeer betrekkelijk), verwachtte ik wel het een en ander aan bijzondere vogels te zien.

Héél bijzonder werd het niet, maar ik was dik tevreden met het meermalen horen en één keer zien van de groene specht, het dichtbij in een bosje zien en horen zingen van een roodborstje en het zien van een tegen de boom opklimmende boomklever. De doorgewinterde ornitholoog zal smalen: ‘Ach, een kinderhand is gauw gevuld’, maar ik was tevreden met deze waarnemingen.

Minder geslaagd was het zien van een dode reiger ergens aan de rand van het bos, in een slootswal. Het was – gelukkig – pas de tweede of derde keer in mijn leven dat ik een dode Ardea cinerea zag.

Zo had ik op deze zonnige ‘iedereen-is-mild-niks-aan-de-handdag’ zeker ook oog voor minder zonnige zaken: ergens in het centrum van Assen liep een waarschijnlijk door kanker kale vrouw gebogen achter haar rollator te sjokken, op de Brink zag ik een jonge vent met een metalen kunstbeen een steeg in hinken en een jonge vrouw met een verstandelijke beperking werd in een rolstoel door het wandelgebied geduwd. Zo zag ik in korte tijd drie mensen die niet bepaald verwend waren door het leven.

Toch drong het voorjaar zich zo overweldigend aan mij op, met zijn bontkleurige krokustapijt aan de Brink, het gezang van de roodborstjes, de vele vriendelijke groeten van voorbijgangers dat ik niet al te lang stilstond bij dingen die een mens somber konden stemmen.

Ja, het was zo’n dag dat ik bijna aan het niet-bestaan van God ging twijfelen.

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *