
Vandaag (22 januari 2026) bracht deze column op de Taalpagina van De Volkskrant in mij een jeugdherinnering naar boven van maar liefst (bijna) zestig jaar (!) geleden.
Anna Stibbe heeft het in ‘De ‘scharensliep’ klinkt gevaarlijk – het gaat immers om scherpe messen –, maar daardoor ook wel spannend’ over de scharensliep, maar daar sloeg ik niet op aan. Nee, het waren de zinnen waarin ze het heeft over haar ouders die mee mochten op de kar van de melkboer en waarin ze zegt dat ze de liedjes van Annie M.G. Schmidt grijs draaide, die als het ware de spoorrails vormden waarover ik ijlings terug het verre verleden in werd gevoerd.
Het was ergens in 1966. Ik lag zes weken afgezonderd in een klein kamertje in mijn ouderlijk huis, omdat ik besmettelijke geelzucht (Hepatitis A) had. Om ervoor te zorgen dat ik de tijd door kwam, draaide mijn moeder voor mij de godganse dag twee elpees (een oranje en een zwarte) met liedjes van Ja zuster, nee zuster, de razend populaire kinderserie die tussen 1966 en 1968 werd uitgezonden op de Nederlandse tv (als ik ooit nog eens dementeer en/of alzheimer krijg (wat Moeder Natuur verhoede), dan zal ik me deze liedjes nog heel duidelijk herinneren en ze allemaal nog woordelijk mee prevelen, terwijl bijna alle andere herinneringen dan afgekalfd, verbrokkeld of helemaal vervlogen zijn).
Ik lag in een kamertje aan de voorkant van het huis. Luisterend naar ‘Hé, hé, wordt wakker‘, ‘Wij zijn bang voor de bullebak‘ (waarbij we de beroerde beeldkwaliteit maar even op de koop toe moeten nemen) en ‘Schipbreukeling‘, keek ik naar buiten.
Op een dag kwam een melkkarretje (eigenlijk niet het type dat boven deze weblogbijdrage staat, maar zo een, bij ‘Verleden tijd’) langs ons huis rijden aan de Waezenburglaan 8 in Leek. In het karretje en op het dak stonden de melkflessen en andere zuivelproducten. Achterop het karretje bevonden zich (volle) kartonnen eiertrays.
Voor ons huis lag een putdeksel een klein stukje verzonken in het wegdek. Op het moment dat het melkkarretje daaroverheen reed, wipte de achterkant van het melkkarretje iets op, waardoor er een ei uit de bovenste tray werd gelanceerd en op de straat kapot viel. Wat me als driejarige verbaasde, was dat er onmiddellijk (waar kwam die zo snel vandaan?) een kraai op dat opengebarsten ei dook en ervan begon te eten.
Maar wat me veel later nog meer verbaasde, was dat mijn geheugen het nodig vond deze scène op te slaan, zodat ik hem mij nu, na bijna zestig jaar, nog scherp herinner. Ja, een geheugen is als een dingo: het bouwt wel een band op met de mens, maar het is verder zeer onafhankelijk en eigenlijk niet te temmen. En dan kan het gebeuren dat het iets vasthoudt waar jij de diepere betekenis niet van inziet (als het al een diepere betekenis heeft).
Ik moet me er maar bij neerleggen dat mijn geheugen zijn eigen wil heeft en bewaart wat het goeddunkt. Laat ik maar dankbaar zijn dát het zoveel dingen voor mij vasthoudt.