
Eergisteren (18 januari 2026) kwam ik terug van twee dagen wandelen op het traject Deventer – Hoenderloo. Goede vriend C. en ik liepen dit weekend namelijk weer enkele stukken van het Marskramerpad.
We hadden er een perfect weekend voor uitgekozen: op vrijdag 16 en zaterdag 17 januari was het voor de eerste maand van het jaar uitzonderlijk zacht: gemiddeld 10 ˚C, terwijl 6 ˚C overdag voor deze tijd normaal is; ja, we waren die vrijdag en zaterdag ver verwijderd van het ‘Blue Monday-gevoel’ dat slechts een paar dagen later op de loer zou liggen.
Startpunt was ditmaal Deventer, want daar waren we de vorige keer gestopt. Tegenover station Deventer liepen we het Vogeleiland op, ‘de groene parel in het in het monumentale Rijsterborgherpark’, aldus de website https://stichtingvogeleilanddeventer.nl/ en daar houd ik mij aan.
In Parkcafé Mees bovenop het Vogeleiland namen goede vriend C. en ik koffie. De zwartharige jongedame die ons ontving wist de vriendelijkheid binnen de perken te houden. Nou ja, gelukkig was haar eveneens jonge vrouwelijke collega hartelijker; bij haar speelde zelfs een wat raadselachtig glimlachje om haar lippen en ze had een blik waar je met enige fantasie ’the leer of invitation’ in kon zien.
Voor twee dagen dompelden wij ons onder in een wereld waarin termen opdoken als ‘graskade‘, ‘bandijk‘ en ‘schouwpad‘; een wereld waarin je je deel voelt uitmaken van het jou omringende landschap en er tegelijkertijd als het ware doorheen glijdt in je onzichtbare, knusse cocon van gedachten en mijmeringen.
Langeafstandswandelen betekent naast frisse lucht happen en genieten van wisselende landschappen ook: (vaak leuke) ontmoetingen hebben. Dat was dit weekend ook weer het geval.
Maar naarmate we dieper in de Veluwe (lees: de Bijbelgordel) drongen, werd de onwil bij de mensen die we tegenkwamen om ons te groeten groter (of er een causaal verband is, durf ik niet te zeggen, maar het viel me gewoon op).
Het was of die biblebelters zich moreel verplicht voelden ons ‘Goedemiddag’ te wensen, maar dat eigenlijk liever niet deden; het ging met zoveel tegenzin gepaard dat ik dacht: hé, als je me niet wilt groeten, dan doe je dat toch gewoon niet? Graag of niet.
Bij één oudere vrouw werd dat gewoon grotesk: ze liep ‘steil’ aan de arm van haar man, keek goede vriend C. en mij aan, vertrok haar gezicht in een grimas en stootte daarbij wat grommende klanken uit. Gezien de situatie zal dat een groet geweest zijn, maar ik vond het er bezopen uitzien.
Op de tweede dag hadden wij aan de rand van Hoenderloo, op het terrein van Zorgpoort de veluwe (sic), ook een minder vrolijk stemmende ontmoeting – maar dan van een heel andere orde: er kwam ons daar een jonge vrouw tegemoet die, letterlijk en figuurlijk, de weg kwijt leek te zijn. Ze werd terug begeleid naar waar ze moest zijn door een andere bewoner van het zorgcomplex dat ‘(jong)volwassenen tussen de 15 en 23 jaar met een verstandelijke en/of psychische beperking de kans [geeft] om een zo zelfstandig mogelijk bestaan te bieden binnen hun mogelijkheden.’
‘Wat glinstert je ketting mooi in de zon’, zei ze tegen goede vriend C., toen ze hem passeerde. Let wel: het ging om zijn bril die op zijn voorhoofd stond… Haar gezicht vertelde een lang verhaal – en niet per se een leuk verhaal. In de hiërarchie van afhankelijkheid van zorg stond zij net iets boven degene die ze nu naar haar onderkomen begeleidde.
Twee heteromannen van begin zestig die alleen onderweg zijn, waar hebben die het (onder andere) over? Over vrouwen, natuurlijk. Zo memoreerden wij onze ontmoeting met ene Sharon die wij, bijna drieëntwintig jaar geleden, in Schotland tegen waren gekomen tijdens het lopen van The West Highland Way. Goede vriend C. en ik waren destijds nogal gecharmeerd van haar geweest, maar daar konden we niet al te luid ruchtbaarheid aan geven, want wij waren toen in het gezelschap van onze vrouwen…
Maar goed, Sharon dus. Overdag droeg ze een bepaald onelegante wollen muts, maar ’s avonds zette ze die af, hulde zich in elegante kleren en op de dansvloer bleek ze ‘haar vrouwtje te staan’.
Ik stond op een avond haar dansverrichtingen met bewondering gade te slaan, toen ze, tot mijn niet geringe verbazing, naar mij overstak en mij niet zozeer uitnodigde voor een dans als wel mij eigenlijk gewoon de dansvloer op sleurde, iets wat ik maar al te willig liet gebeuren…
‘Overdag droeg ze een domme muts, ’s avonds was ze een lekkere muts,’ schertste ik tegen goede vriend C., een uitspraak waarmee ik – dat besefte ik maar al te goed – in het huidige tijdsgewricht niet alleen maar vrienden maakte.
Doorbordurend op deze herinnering hoopten wij dat het in De Heksenketel, een gezellig dorpscafé in het centrum van Beekbergen waar wij na de tweede loopdag ons avondmaal namen, eh, zou gaan borrelen en bruisen. Maar dat viel tegen. Ja, pal achter mij zat een knappe vrouw van begin dertig, maar zij keurde mij, na een aanvankelijk vriendelijke groet, geen blik meer waardig. En dat was geen wonder, want haar man zat naast haar…
Goede vriend C. memoreerde tijdens ons verblijf in De Heksenketel nog een uitzonderlijk knappe vrouw die ons pad had gekruist tijdens een van onze laatste trajecten van het Pieterpad. We stonden toen op het punt naar het pad te stijgen dat ons – vanaf enige afstand – zou voeren langs de mergelgrotten. In een uitspanning waar we koffie namen zag hij haar. Ja, eigenlijk zagen wij haar, maar ik kon me haar met geen mogelijkheid meer voor de geest halen, terwijl ik toch een uitzonderlijk goed geheugen heb (en daar zou een bijzonder knappe vrouw zeker niet uit weglopen). Goede vriend C. wist nog precies hoe ze eruit zag. Wonderlijk dat ik ‘geen actieve herinnering’ meer aan haar had…
Sinds wij onze gezamenlijke wandelsessies startten, ruim twintig jaar geleden, hebben dit soort overpeinzingen altijd deel uitgemaakt van onze wandelweekends, maar met het klimmen der jaren hebben ze een allengs berustender karakter gekregen.
Wat trouwens opvallend is: deden wij over het voltooien (op twee trajecten na) van het Pieterpad bijna twintig jaar, voor het volbrengen van het Marskramerpad zetten wij er aardig wat meer vaart achter: als alles meezit, willen wij in een weekend in maart de trajecten Hoenderloo – Stroe en de tweede dag Stroe – Terschuur gaan lopen. We blijven volop in beweging!