
worden misbruikt.
Zaterdag (26 september 2026) stond er in De Volkskrant een recensie over de nieuwe vertaling van Friedrich Nietzsches eersteling Die Geburt der Tragödie aus dem Geiste der Musik. Ik zou daar toen een weblogbijdrage over schrijven – tenslotte is Nietzsche mijn favoriete filosoof -, maar het kwam er toen, door diverse oorzaken, niet van en op het moment dat we bijna een week verder waren, dacht ik: laat maar.
Het was voor mij wel reden om Die Geburt weer eens uit de kast te trekken. Het was meer dan veertig (!) jaar geleden dat ik passages uit Die Geburt gelezen had, in het kader van het bijvak Filosofie dat ik voor mijn studie gekozen had. Het zou een memorabel trimester worden, daar aan de Faculteit der Filosofie aan de Kraneweg in mijn woonplaats Groningen. Anno 1985 bleek dat – tot mijn grote verbijstering – een marxistisch bolwerk te zijn. Maar daarover zo meteen meer.
Wat ik van Nietzsches werken altijd zo heerlijk vind, zijn de Vorredes, de voorwoorden. Hij beschrijft daarin wat voor (moreel) probleem hij in het onderhavige werk gaat aanpakken. En dat alles in zijn prachtige stijl die me in de loop der jaren (toen ik het eerste boek van hem las (Der Antichrist), was ik achttien) zo dierbaar is geworden.
Bij Die Geburt heet het voorwoord ‘Versuch einer Selbstkritik’. Nietzsche kijkt daarin na vijftien jaar terug op zijn debuut. Daarbij spaart hij zichzelf niet. Hij schrijft over zijn eerste boek: ‘…heute ist es mir ein unmögliches Buch – ich heiße es schlecht geschrieben, schwerfâllig (log, stroef), peinlich…’
Ik las enkele tientallen bladzijden van die ‘Poging tot een zelfkritiek’ en legde het traktaat toen eerst weer terzijde, niet omdat het mij niet kon boeien, maar omdat ik van mezelf nog enkele andere boeken uit moest lezen, voordat ik dit ‘hochmütiges und schwärmerisches Buch’ (Nietzsche dixit), dit hoogmoedige en dweperige boek, ter hand mocht nemen.
Maar eergisteren (2 oktober 2026) las ik de column van Jolande Withuis (een van de weinige columnisten van De Volkskrant die niet het standaardriedeltje ‘Gaza – genocide, homohaat door Andrew Tate/manosfeer’ ad nauseam herhalen. Doch dit terzijde). In die bijdrage ‘Waarom vrijdenken urgenter is dan ooit’ bleef ik haken aan de zin: ‘Mijmerend over de vrijdenkerij dacht ik aan Spinoza, Multatuli en Aletta Jacobs, en ook aan mijn vader in de korte periode tussen gereformeerde jongeling en overtuigd marxist.’
‘Vrijdenkerij’… Spinoza… marxist… Door deze drie woorden moest ik denken aan mijn geliefde filosoof: hij had tenslotte aan zijn boek Menschliches, Allzumenschliches de ondertitel ‘Ein Buch für freie Geister’ meegegeven. En in mijn studietijd had ik als bijvak Filosofie gekozen, samen met mijn Grote Broer.
Tijdens die bijstudie werd Friedrich Nietzsches werk – en dan in het bijzonder Die Geburt der Tragödie aus dem Geiste der Musik – behandeld aan de hand van een hoofdstuk uit Die abenteuerliche Rebellion
Bürgerliche Protestbewegungen in der Philosophie/ Stirner • Nietzsche • Sartie • Marcuse Neue Linke van professor doctor Hans Heinz Holz, een naam als drie harde, gemene tikken in je gezicht (want zo voelde ik zijn naam tijdens dat trimester).
‘Behandeld’ schreef ik in de vorige alinea, maar het was meer mangelen wat die marxistische professor uithaalde met mijn geliefde filosoof. De titel van het hoofdstuk van het hierboven geciteerde boek (die wij studenten als reader kregen) sprak wat dat betreft, eh, boekdelen: ‘Friedrich Nietzsche – von der Kritik bürgerlicher Kultur zum Präfaschismus’. Alleen al van die titel gingen mij de haren recht overeind staan: hoezo ‘kritiek van de burgerlijke cultuur’? Wat was dat voor marxistisch gezever? Nietzsche viel de westerse cultuur als geheel aan en niet alleen de burgerlijke elementen daarin. Kom nou toch.
En dan die indirecte beschuldiging dat Nietzsche wegbereider van de nazi’s zou zijn; wat een flauwekul. Ik weet dat het vaker is geprobeerd, maar het raakt kant noch wal: Nietzsche was een intellectueel, was op zijn vierentwintigste al professor in de Klassieke Filologie en iedereen weet wat de nazi’s – zoals elk totalitair regime – als een van de eerste dingen deden: de universiteiten ‘zuiveren’; dat waren immers broeinesten van verzet tegen hun dictatuur.
Verder was Nietzsche zeer kritisch ten opzichte van de Duitse cultuur – en dat moet de nazi’s een doorn in het oog geweest zijn. En – last but not least – in zijn werken wordt Nietzsche niet moe om te benadrukken dat hij een einzelgänger is die massa’s verafschuwt (‘ich habe immer nur an der ‘Vielsamkeit’ gelitten’ schrijft hij bijvoorbeeld in Ecce Homo) en dat was de bruinhemden natuurlijk ook niet welgevallig, met hun massabijeenkomsten en hun op de collectiviteit gerichte ideologie.
Tijdens de colleges over Nietzsche kwamen Grote Broer en ik er – tot onze niet geringe verbijstering – achter dat alle studenten marxist waren of in ieder geval sterk marxistische sympathieën hadden. De docent, Jeroen B., was dat ook, maar hij uitte ten opzichte van ons niet de tomeloze agressie die onze medebankzitters tegenover ons tentoon spreidden.
Eén van die Marx-adepten is me in het bijzonder bijgebleven. Hij draaide zich tijdens een college eens agressief om naar mijn broer en mij (waar wij die vijandigheid aan te danken hadden, was mij een raadsel, want we hadden noch hem noch iemand anders uit die groep ooit aangevallen) en zei, op grove toon, dat ‘voor hem de termen ‘appolonisch’ (sic) en ‘dionysisch’ volledig uit de lucht gegrepen waren (die sans-culotte bedoelde appolinisch).
Voor de uitleg van deze beide termen, die voor Nietzsche essentieel zijn voor de kunst in het algemeen en de Griekse tragedie in het bijzonder (waarover hij spreekt in Die Geburt) laat ik even de site Filosofie Magazine aan het woord:
‘Apollinisch en dionysisch zijn twee levenskrachten die de Duitse filosoof Friedrich Nietzsche (1844-1900) onderscheidt, vernoemd naar de Griekse goden Apollo en Dionysus. Het apollinische is het rustige, ordelijke en rationele, en het dionysische is de chaos, roes en irrationaliteit.
Volgens Nietzsche kwam de westerse cultuur tot haar hoogtepunt in de klassieke Griekse tragedies, waarin die twee krachten in balans zijn. In de periode daarna raakt de westerse cultuur in verval, meent Nietzsche. Het apollinische krijgt de overhand: rationaliteit wordt superieur gevonden en het irrationele wordt onderdrukt.’
Maar goed, terug naar die grove agressieveling: hij draaide zich naar mijn broer en mij om met een vijandigheid alsof hij ons wel aan wilde vliegen (of ons hoofd met welgevallen zag rollen onder de guillotine, net wat jullie willen). En waarom, dames en heren? Enkel en alleen omdat wij ons zeer kritisch toonden ten opzichte van de analyse van Holz van het werk en het leven van Friedrich Nietzsche. Daarin waren wij trouwens de enigen; de rest van de klas slikte de woorden van professor Holz als zoete koek of, toepasselijker, als een ouwel bij de Eucharistie.
Als tweeëntwintigjarige heb ik me doorlopend kwaad lopen maken over het onrecht dat Nietzsche werd aangedaan door die dogmatische marxist van een Holz die werkelijk klinkt als een gehersenspoelde. Ik moest mijn frustratie ergens kwijt, vandaar dat ik op veel plaatsen verontwaardigde opmerkingen in de kantlijn van de reader ‘Friedrich Nietzsche – von der Kritik bürgerlicher Kultur zum Präfaschismus’ heb gezet.
Het gaat in deze weblogbijdrage te ver om op die opmerkingen in te gaan, maar nu, ruim veertig jaar later, kan ik nog steeds staan achter de galspuwingen van die heethoofdige twintiger. Nietzsche afdoen met een verachtelijk ‘er bleibt doch im Bannkreis der metaphysischen Subjektivität befangen’, omdat een marxist nu eenmaal geen psychologische verklaring van de gescheidenis aanvaardt (nee, het historisch materialisme is zijn heilsleer, al het ander is ketterij), dan wil je niet iemands werk analyseren, dan wil je hem monddood maken.
De zon schijnt uitbundig deze zondag 4 oktober. Ik ga buiten zitten lezen in die Geburt der Tragödie aus dem Geiste der Musik. Of, om het toepasselijk in Nietzsches eigen woorden te zeggen (uit Also sprach Zarathustra): ‘Und erst, wenn er sich von sich selber abwendet, wird er über seinen eignen Schatten springen — und, wahrlich! hinein in seine Sonne.’