Ferry dangerous

Kaartje voor de overtocht per veerboot van Ketapang (Oost-Java) naar Gilimanuk (West-Bali).

In de Volkskrant van eergisteren (7 oktober 2026, een dag waarop sommige mensen het nodig vonden om hun steun aan Hamas te betuigen…) stond het artikel ‘De ferry gevaarlijk? In Indonesië heb je geen keus’ (in de digitale versie is dat trouwens ‘De veiligheid van Indonesische veerboten laat te wensen over, maar: ‘Wat kan ik doen? Ik heb geen keus’).

Het deed me denken aan mijn eigen overtocht op een ferry in Indonesië, lang geleden: in 1991 liet ik mij, samen met mijn vrouw, met de veerboot overzetten van het uiterste oostpuntje van Java, vanaf het stadje Ketapang, naar Gilimanuk, een stadje op West-Bali (dat op Wikipedia vreemd genoeg een ‘bestuurslaag’ wordt genoemd, doch dit terzijde).

In 1991 maakten mijn vrouw en ik onze eerste verre reis. Die zou ons naar Java en Bali voeren. Vanaf Jakarta, een stinkende zinkput waar we eigenlijk veel te lang bleven, zakten we oostwaarts af door Java, via Bogor – Cidokom – Bandung – Yogyakarta. Wij reisden, per trein en per bus, naar de plaats vanwaar je de oversteek naar Bali kon maken.

In mijn vakantiedagboek van destijds repte ik trouwens met geen woord over mogelijke gevaren die tijdens die overtocht op de loer lagen. Toch vreemd, als je in het krantenartikel van eergisteren leest: ‘Helaas heeft de archipel met zo’n 17.000 eilanden een slechte reputatie op het gebied van maritieme transportveiligheid. Dit jaar rukte de reddingsdienst al 733 keer uit, voornamelijk vanwege een man over boord, motorstoring of communicatieproblemen. Maar in 115 gevallen kapseisde of zonk een schip, waarbij dit jaar tot nu toe 577 doden en vermisten waren te betreuren.’

In 1991 zal de staat van de veerboten in de Gordel van Smaragd (o nee, dat mag niet meer, want ‘koloniaal’, maar ik gebruik deze term van Multatuli lekker toch, omdat hij zo poëtisch is) niet veel beter zijn geweest, eerder slechter. Toch maakte de toen 28-jarige André zich nergens druk om; in mijn dagboek geen uiting van bezorgdheid over eventuele overbelading, het al dan niet ontbreken van zwemvesten of het mogelijk niet respecteren van het veiligheidsprotocol.

En in mijn vakantiedagboek teken ik rustig op: ‘De overtocht duurde ongeveer een half uur. Bij Gilimanuk werden we aan land gezet.’

Wat me wél bezig hield bij de inscheping voor de oversteek naar Gilimanuk, was het feit dat er een verschoppelingetje rondliep, een jochie van zeven, acht jaar dat ergens geld had opgescharreld. Hij liet zijn buit trots zien aan een oudere jongen. Die pakte het geld af van het ventje, waarop dat onbedaarlijk begon te huilen.

Dear old sentimental André kon dat niet aanzien: ik liep daarom op het jochie toe en gaf hem 300 rupiah, voor die tijd best een behoorlijk bedrag voor een aalmoes. Eigenlijk had het kereltje daar heel blij mee moeten zijn, maar hij was zo van streek door de brute roof door die oudere jongen dat hij mij vergat te bedanken en gewoon hard door bleef huilen.

Een man moest hem zeggen dat hij die orang Belanda (Nederlander) moest bedanken. Nou hoefde dat voor mij niet per se; ik was allang blij dat ik iets kon doen aan zijn verdriet, al drong dat niet direct tot het ventje zelf door. Je kon mijn gebaar ook zien als een herstelbetaling, hoe nietig ook, van alle leed en alle schade die wij Nederlanders de Javanen in de loop der eeuwen hebben aangedaan…

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *