En André zag het licht!

Noorderlicht in de buurt van Oldervik, op ongeveer 35 kilometer van Tromsø (Noord-Noorwegen).

Gisteren (1 maart 2026, het begin van de meteorologische lente) maakte ik een wandeling in de buurt van mijn woonplaats, omdat het zeer zacht weer was. Naast het pad verschenen af en toe groepjes in bloei staande krokussen en sneeuwklokjes die heen en weer bewogen in een – overigens nog wel wat fris – briesje.

Wat een contrast met het weer in Tromsø (Noord-Noorwegen), waar ik van 21 – 27 februari vakantie had gehouden! Daar was het – ook overdag – -6, -7 °C, met metershoge sneeuwwanden langs de trottoirs. Omdat daar een droge kou heerste, voelde het er helemaal niet zo koud aan (terwijl ik de laatste weken in Nederland regelmatig kleumerig was; door de hoge luchtvochtigheid voelde de kou in mijn vaderland veel onaangenamer aan; hij ‘kroop in mijn botten’, om het enigszins pathetisch te zeggen).

De reden dat ik naar het hoge noorden, ruim 300 kilometer boven de Poolcirkel, vertrok om vakantie te houden, was dat Tromsø als ‘de hoofdstad van het Noorderlicht‘ wordt beschouwd. En mijn vrouw had de vurige wens oog in oog te staan met Aurora Borealis. Ze was al maanden bijna obsessief met deze reis bezig en spaarde kosten noch moeite om de reis door te laten gaan.

En ik? Ik, de geboren reiziger, vond het allemaal best. Ik was nog nooit in Noorwegen geweest en wilde haar graag vergezellen naar Tromsø. En het Noorderlicht fascineerde mij ook, laat dat duidelijk zijn.

Nu zullen sceptici zeggen: waarom vloog je zo’n eind om het Noorderlicht te aanschouwen, terwijl dat in ons eigen land, om de hoek zogezegd, onlangs ook gewoon te zien was? Dan kan ik niet anders dan zeggen: ‘Ja, dat klopt en daar weet ik alles van.’

Op 19 januari (een bijzonder gunstige dag voor Aurora Borealis in Nederland) reed ik namelijk samen met mijn vrouw naar Bedum, een dorp vlakbij mijn woonplaats, om daar, weg van de lichtvervuiling van de stad, een goed (lees: donker) plekje te zoeken, om daar op de verschijning van het Noorderlicht te wachten. En dat verscheen toen in al zijn heerlijkheid. Het rode licht was zelfs gewoon met het blote oog te zien en dat is alleen bij zeer grote zonneactiviteit het geval.

Dus waarom helemaal naar het Hoge Noorden voor het Noorderlicht, als je het al zo goed gezien hebt? Tsja, voor sceptici een vraag, voor doorgewinterde (pun intended!) ‘Noorderlichtjagers‘ een weet: in arctische sferen is het Noorderlicht nog overweldigender, je ziet andere kleuren en het licht ‘danst’ ook veel duidelijker.

En je hebt daar, op semipolaire breedte, ook veel meer het idee bij het Noorderlicht ‘betrokken’ te zijn: het speelt zich voor je gevoel vlak boven je hoofd af (terwijl het nog altijd op 80 à 90 kilometer hoogte plaatsvindt) en de vormen die het Noorderlicht daar aanneemt zijn veel grilliger dan in ons eigen land.

Mijn vrouw en ik maakten één keer een echte Noorderlichttocht met een kleine, kundige én sympathieke organisatie, Northbound, in de buurt van Oldervik, op ongeveer 35 kilometer van Tromsø. En één keer gingen we op eigen houtje op een goede plek (op het strandje van Telegrafbukta– dit voor de kenners/liefhebbers) de komst afwachten van de tovenares Aurora Borealis, die zoveel mensen in haar ban houdt.

In beide gevallen was het pure magie die zich hoog boven je hoofd voltrok. Een doodstil spektakel. Er verscheen een lichtvlek ergens aan de hemel en het volgende ogenblik ontstonden de grilligste vormen, alsof reuzespoken er plezier in hadden steeds een andere gedaante aan te nemen. Soms was het of een statisticus zijn gebruikelijke saaiheid liet varen en dacht: ik laat mijn staafdiagrammen lekker dansen. Het licht golfde, danste hoog boven ons. Zoals ik tegen onze sympathieke tourorganisator Oli zei: ‘It’s spooky, but in a good way.’

Dit stille spektakel was overweldigend, magisch en niet (goed) in woorden te vatten. En dat is ook prima (zeg ik als schrijver!): iets wat zo majestueus het menselijke overstijgt en de nietige mens daarbeneden met bewondering en verstomming vervult, mag ook eigenlijk niet in woorden te vatten zijn; dat zou het verkleinen, enger maken. Het Noorderlicht moet je in al zijn weidsheid en immensheid ervaren. Woorden moeten daarvoor tekortschieten.

Jullie merken het: André heeft het licht gezien!

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *