Een nieuwe lente en een nieuw geluid

In deze uitgave heb ik de Mei van Gorter gelezen.

Het is weer zaterdag (27 maart 2021), dat betekent dat de weekendeditie van De Volkskrant bij mij op de deurmat ploft. In de literaire bijlage van deze zaterdagkrant staat een artikel over een nieuwe – Engelse – vertaling van de Mei van Herman Gorter. Poëzie, hé, dan spits ik altijd mijn oren.

Vreemd genoeg had in al die 132 jaar dat ‘het hoogtepunt van de poëzie der Tachtigers’ (Garmt Stuiveling dixit) nu onder ons is nog nooit een Engelse vertaling het licht gezien, terwijl er al wel een Franse, een Duits en zelfs een Friese versie waren verschenen.

Als om deze leemte in één klap goed te maken, verschijnen er nu gelijktijdig twee vertalingen in de taal van Shakespeare. Er is een May van ene Michiel Kruijff, die opvallend genoeg een baan als ingenieur in de lucht- en ruimtevaart combineert met een al sinds zijn jeugd bestaande fascinatie voor de ‘zoete melancholie’ van Gorters lange personificatie van de vijfde maand van het jaar.

De andere Engelse vertaling komt op het conto van Paul Vincent, die zijn sporen op het gebied van vertalingen van Nederlandse romans naar zijn moedertaal al wel verdiend heeft: eerder vertaalde hij al werk van Bilderdijk en Couperus en ook van moderne auteurs als Grunberg en Noort.

Als ik trouwens puur op basis van de vertaling van de eerste regels moet oordelen, ga ik zonder meer voor die van Vincent. Hij ‘herdicht’ de opening van Mei als volgt: ‘A new-born springtime and a new-born sound.‘ Daar zit het ritme in van het origineel en ook de woordkeuze, zonder werkwoord.

Kruijff maakt er dit van: ‘The spring is new and new the sound it brings.’. Mwah. Ik als dichter zeg: het eerste deel (‘The spring is new’) loopt wel lekker, maar ‘new the sound it brings‘ loopt gewoon niet lekker; het stoot (wat trouwens nogal zot is: in de papieren versie staat het precies omgekeerd, zie hieronder).

Goed, terug naar de Nederlandse Mei. Als poëzieliefhebber en dichter kende ik het lange gedicht van Gorter natuurlijk al wel, maar ik had het nog nooit in zijn geheel gelezen, hoewel de uitgave zoals boven deze bijdrage afgebeeld al sinds jaar en dag bij mijn ouders in de boekenkast stond.

Pas in 1999 besloot ik de Mei integraal te gaan lezen. Ik zat in dat jaar vanaf eind januari overspannen thuis en zou tot 1 september van dat jaar in die toestand blijven. Tijd genoeg dus om een gedicht van 4381 (!) regels tot mij te nemen (of het verstandig was om mijn geest te belasten met het doorgronden van negentiende 19e-eeuwse poëzie is een ander verhaal; er was een moment dat ik achter mijn gesloten ogen allerlei regels uit het gedicht achter mijn oogleden voorbij zag komen dansen en dat leek me geen goed teken…).

Ik ben niet zo negatief als Willem Frederik Hermans in Boze brieven van Bijkaart die het over Gorters opus magnum heeft als ‘zijn wel niet echt lelijke, maar zijn veel te lange MEI…’ (maar ja, Hermans hield gewoon niet van (Nederlandse) poëzie (waar eigenlijk wel van?), maar ook ik was niet ondersteboven van een epos dat beschouwd wordt als een van de hoogtepunten van de Nederlandstalige lyriek. Daarvoor staan er teveel ‘opvulregels’ in. Wat te denken bijvoorbeeld van regels als:

‘Zo leek de zwarte lucht boven het water.
Een populier stond naast haar, klein, een hater
Van stilte, die nu ook zacht ratelde.
Haar tranen ruisten, bladerden zwatelden.’

Een populier een ‘hater’ noemen vind ik al bijzonder lelijk; goed, het is rijmdwang vanwege dat ‘water’ in de regel daarvoor, maar het blijft verre van fraai. Een populier staat bekend om het zachte ruisen van zijn bladeren, zelfs als er geen wind lijkt te staan, en ja, daarmee verbreekt hij strikt gezien de stilte, maar iedereen die wel eens het ruisen van een populier heeft gehoord en enigszins sfeergevoelig is, zal beamen dat dat helemaal niet voelt als het verbreken van de stilte, eerder als een pastelzachte omlijsting van die stilte.

De rest van die vier hierboven geciteerde regels vind ik ook maar vlak, kleurloos. En zo zijn er vele van dat soort stoplaps in Mei. Nu kun je wel als verontschuldiging aanvoeren dat het lastig is gedurende bijna 4500 regels alleen maar oiginele, fonkelende versregels te schrijven, maar in dat geval zou ik zeggen: schrijf dan een korter gedicht.

Hermans schrijft verder in zijn bijdrage ‘Groot over Gorter’: ‘Tot overmaat van ramp was de eerste regel van MEI zo sterk, dat hij de hele rest van het gedicht (een boekdeel) overbodig maakte.’ Nu vind ik dat ook behoorlijk overdreven, maar het begin van Mei is wel mooi. Vandaar dat ik deze bijdrage daarmee wil eindigen:

‘Een nieuwe lente en een nieuw geluid: / Ik wil dat dit lied klinkt als het gefluit, / Dat ik vaak hoorde voor een zomernacht / In een oud stadje, langs de watergracht’. 

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *