
de aardige Amerikanen Jim & Debra die ik tijdens een backpackreis in China ontmoet had.
Ik heb het nu eindelijk uitgelezen…
Gisteren (11 januari 2026) heb ik dan ein-de-lijk een boek uitgelezen (Blue highways) dat ik maar liefst 21½ (!) jaar geleden gekregen had van aardige Amerikanen die ik tijdens een backpackreis in China ontmoet had.
Tot negen jaar na onze ontmoeting – op zich al opmerkelijk voor een vakantievriendschap – onderhielden mijn vrouw en ik contact met Jim & Debra (helaas is dat – door mijn toedoen, moet ik tot mijn schande bekennen – na 2005 verwaterd).
In 2004 kwamen Jim & Debra zelfs naar Nederland en tijdens ons onontkoombare bezoek aan Amsterdam kocht Jim een aantal boeken voor mij. Daaronder het boek dat gelauwerd wordt als ‘a masterpiece of American travel writing’.
Ik nam mij destijds voor het snel te gaan lezen, al was het alleen maar uit dankbaarheid voor onze gulle Amerikaanse gasten. Maar al die jaren is het ongelezen blijven liggen. Tsja, hoe gaat dat? Je kunt je wel voornemen om zo’n boek zo snel mogelijk tot je te nemen, maar al snel verdringen andere boeken – en ook andere bezigheden – zich om je aandacht. En dan blijft het erbij.
En toch was het boek ergens in mijn achterhoofd blijven hangen, want een tijd geleden trok ik het toch maar eens uit de boekenkast. En ik begon erin te lezen. Het ging meteen goed van start, want in het voorwoord schrijft Heat-Moon:
‘On the old highway maps of America, the main routes were red and the back roads blue. Now even the colors are changing. But in those brevities just before dawn and a little after dusk – times neither day nor night (Heat-Moon beschrijft hier ‘het blauwe uur‘ -AD-) – the old roads return to the sky some of its color. Then, in truth, they carry a mysterious cast of blue, and it’s that time when the pull of the blue highway is strongest, when the open road is a beckoning, a strangeness, a place where a man can lose himself’.
(‘Op de oude wegenkaarten van Amerika waren de hoofdwegen rood en de kleine weggetjes blauw. Nu veranderen zelfs de kleuren. Maar in die kortstondige momenten vlak voor zonsopgang en net na zonsondergang – als het geen dag en ook geen nacht is – laten de oude wegen weer iets van de kleur van de hemel zien. Dan krijgen ze werkelijk een geheimzinnige blauwe tint, en dat is het moment waarop de aantrekkingskracht van de blauwe wegen het sterkst is; dan is de open weg een invitatie, een mysterie, een plaats waar je jezelf kunt verliezen.’)
Ik citeer dit in het Amerikaans, want, hoe snobistisch dit moge klinken: ik vind dat je een boek als Blue highways in de oorspronkelijke taal moet lezen; deze travelogue dringt zo diep door in de Amerikaanse geest en ziel en de schrijver laat zoveel mensen aan het woord die in het specifieke dialect van hun staat spreken, dat je erg veel verliest, als je het boek in vertaling zou lezen.
Klein nadeel van Blue highways lezen in het Amerikaans is wel dat je heel veel woorden moet opzoeken: wat te denken bijvoorbeeld van termen als ‘moonshiner’ (stoker/smokkelaar van clandestiene alcohol), ‘whippoorwills’ (Amerikaanse nachtzwaluw), ’tarheel’ (bijnaam voor een inwoner van North-Carolina), ‘pocosin’ (veenmoeras op een heuvel) of ‘boil weevil’ (een conservatieve Democraat uit de zuidelijke staten).
Toegegeven, niet direct woorden die je in het dagelijks leven vaak tegenkomt en je kunt er zeker zonder, maar ik ben nu eenmaal zo’n maniak die alle onbekende woorden in het Amerikaans (en ook in het Frans en Duits) beslist wil weten. Laten we het erop houden dat dat een onschuldige tic is waarmee ik niemand kwaad doe…
De ik-persoon van Blue highways staat op het punt om te gaan scheiden van zijn ‘Cherokee’ (zoals hij zijn toekomstige ex-vrouw consequent noemt) en hij heeft net zijn baan als leraar Engels verloren. En dan krijgt hij het idee om weg te gaan: ‘I got the idea instead. A man who couldn’t make things go right could at least go.’ (p.3) En dat doet hij dan ook, net als John Steinbeck in Travels with Charley, in een enigszins omgebouwd vrachtwagentje, Ghost Dancing (Heat-Moon is een ‘dubbelbloed’: hij heeft voor de helft Osage-bloed in zijn aderen stromen).
Hij gaat op zoek naar ’those little towns that get on the map – if they get on at all – only because some cartographer has a blank space to fill: Remote, Oregon; Simplicity, Virginia; New Freedom, Pennsylvania; New Hope, Tennessee; Why, Arizona; Whynot…’ (p.4) Daarbij probeert hij zoveel mogelijk – dat lukt niet altijd – de grote highways te vermijden.
Zoals ik al eerder zei laat Heat-Moon heel veel mensen aan het woord. Die waren lang niet altijd gecharmeerd van de manier waarop ze geportretteerd zijn in het boek, want in zijn nawoord schrijft William Least Heat-Moon: ‘Although they were hardly enchanted with my depiction of them (I left too much out, emphasized this over that), they liked being a ‘character’ (p.420).
Ik vond Blue highways een prachtig boek, maar ik vroeg me – misschien heel flauw – wel af hoe Heat-Moon het drie maanden lang zonder seks uithield: in alle ruim 380 bladzijden komt geen enkele beschrijving voor van een erotische ontmoeting met een vrouw, laat staan van een dampende seksscène, terwijl hij op het punt van scheiden stond, alleen was en dus openstond voor allerlei contacten. Of zou het de Amerikaanse prudery zijn die hem ervan weerhield al te expliciet over de lichamelijke liefde te schrijven?
Verder vond ik dat het in het negende hoofdstuk (EAST BY NORTHEAST) wel erg veel over de visserij ging. Maar goed, dat zij Heat-Moon vergeven, want, zoals gezegd, ik vond Blue highways een geweldig boek.
Het klinkt misschien gek, maar ik vond het zelfs zo meeslepend dat ik de neiging had, om, na het uitgelezen te hebben, er meteen weer in te beginnen. Die neiging kon ik onderdrukken, maar ik ga het zeker nog eens herlezen. En daar ga ik niet nog eens 21½ jaar mee wachten.
P.S. Jim Darnell and Debra Callaway, if, by any chance, you ever come across this part of my weblog, I’d like you to know that we still value your friendship very much and that we hope, one day or another, by some blue highway of chance, to see you again…