
Hoewel ik bepaald geen keukenprins ben, lees ik graag over (de bereiding van) eten. Zodoende neem ik altijd de rubriek Volkskeuken in De Volkskrant tot mij. Zo ook eergisteren (17 september 2026). Pay-Uun Hiu leverde toen de bijdrage, een recept voor ‘dubbel bereide’ tofu met paprika.
Pay-Uun Hiu heeft Chinese roots en daarom komt ze graag met recepten uit de Chinese keuken op de proppen. Binnen de Chinese keuken is er nog een belangrijke subafdeling: de ‘Sichuan cuisine‘ en daar had Pay-Uun Hiu het deze keer over in haar Volkskeuken.
Chengdu is de hoofdstad van de grootste provincie van China en als je wilt proeven van de Sichuan-keuken, die bekend is van pittige en uitgesproken smaken (de Engelse Wikipedia heeft het in dit verband over ‘fiery and bold tastes’), dan kun je in Chengdu te kust en te keur daarvan proeven.
Bij het lezen van de naam Chengdu dacht ik meteen terug aan de reis die ik in 1996 naar China maakte (waarbij ik ook Chengdu aandeed) en de culinaire belevenissen die ik had gehad in Het Rijk van het Midden.
De leukste eetervaring die er had gehad was overigens in Xi’an. Mijn vrouw en ik maakten er op een dag in onze zomervakantie in 1996 een fietstocht en tijdens die omzwervingen kwamen we in een wijk die beslist niet toeristisch was.
We gingen een fan dian, een restaurant binnen waar, zo te zien, zelden of nooit een toerist neerstreek. De serveerster was nog een bakvis (om even in culinaire sferen te blijven); naar alle waarschijnlijkheid was ze de dochter van de man en de vrouw die beiden in de keuken bezig waren. Ik bestelde maar weer eens een gerecht dat mijn vrouw en ik wel vaker met succes hadden gevraagd: jisi chaofàn, gebakken rijst met kip, een gerecht waarvan we de naam hadden geleerd tijdens de tien lessen Chinees die we voorafgaand aan onze zomervakantie in China van een geboren Chinese hadden gehad.
Tot mijn opluchting knikte de serveerster mij begrijpend toe en verdween richting keuken. Ik meende tegenover mijn vrouw te mogen stellen dat ik nog nooit zo snel op het bedienend personeel van een eetgelegenheid in China over had kunnen brengen wat ik wilde hebben, maar dat was te overmoedig: ik had het nog niet gezegd, of het meisje kwam bij me terug. Ik begreep geen karakter van wat ze zei, maar uit haar intonatie, mimiek en gesticulatie kon ik wel opmaken dat wat ik besteld had niet voorradig was, maar, maakte ik op uit haar gebarentaal, er was wel een alternatief. Ze sprak daarbij rap alsof ze het tegen een landgenoot had.
Het weinige Chinees dat mijn vrouw en ik machtig waren hadden we in de week die we in Beijing doorbrachten al zo vaak toegepast dat die paar frases ons redelijk soepel over de lippen rolden. In dit geval werkte dat enigszins in ons nadeel, want het meisje concludeerde daar blijkbaar uit dat we rad Chinees spraken. ‘Wo bu dong’, ik begrijp het niet, probeerde ik een dam op te werpen tegen haar spraakwaterval.
Hierdoor allerminst uit het veld geslagen stak ze haar linker wijsvinger op, zo van ‘O, wacht maar even, daar weet ik wel wat op’, pakte een blocnote uit haar schort, schreef voor mijn duizelende blik in razend tempo twee regels helemaal vol met Chinese karakter en hield mij het volgeschreven briefje toen voor met een gelaatsuitdrukking die zoveel wilde zeggen als ‘Ziezo, zo komen we er wel uit!’
Ze keek mij met zo’n stralend gezicht aan dat ik het niet over mijn hart kon verkrijgen om andermaal een bijdrage van haar te smoren in mijn ‘Wo bu dong‘. Ik keek daarom een paar seconden naar de Chinese karakters, waarin ik werkelijk niets bekends kon ontdekken, knikte en zei toen: ‘Okay’. Meteen daarop snelde onze serveerster weer naar de keuken.
Waar had ik in godsnaam ‘ja’ op gezegd? Tripes (ingewanden) à la chinoise? Rattenlevertjes gesmoord in slangenbloed? Of had ze mij wellicht ten huwelijk gevraagd en was ze zo opgetogen naar achteren gesneld om haar ouders dat goede nieuws te melden?
Zo erg was het gelukkig allemaal niet. Wat ze niet veel later (wij waren de enige klanten) kwam brengen, was juist bijzonder lekker: gepeperde groentesoep en met kip gevulde noedels (tsja, ik deed in die tijd nog niet aan vegetarische dagen).
Als drank wilden we chá, thee, bij onze maaltijd, maar hoewel dat in China toch zeer veel wordt gedronken, bleef het op de een of andere manier elke keer voor ons een probleem om het bedienend personeel in een restaurant aan het verstand te krijgen dat we thee bij ons eten wilden hebben. Maar goed.
Deze maaltijd, waarvan we de naam wel nooit zullen achterhalen, kostte 30 yuan, echt een schijntje. Omdat het zo lekker gesmaakt had, wilden we een fooi geven, maar die werd door zowel moeder als dochter pertinent geweigerd.
In die dagen (1996) had je nog geen Tripadvisor of aanverwante websites, waarop je een (goede) review kon geven, anders had ik dat naamloze en – in die tijd – zeker niet toeristische restaurant een goede recensie gegeven.