Let maar op de rommel


Dit was eens mijn ouderlijk huis (‘Voorbij, voorbij,
o en voorgoed voorbij’)

Vandaag (21 oktober 2017) is zo’n typisch Nederlandse miezerdag: ongezellig, grauw; het ideale weertype om eens uitgebreid de weekendeditie van De Volkskrant te gaan lezen. En dat deed ik dan ook.

Daarbij stuitte ik op deze column van Esther Gerritsen. Die gaat over het vroegtijdig opruimen van allerlei rommel in je huis, zodat de nabestaanden daar niet mee zitten, als ze voor de vervelende, inspannende en ondankbare taak staan om het huis van de dierbare gestorvene leeg te halen.

De Zweedse kunstenares Magnusson adviseert mensen al vanaf hun vijfenzestigste met deze döstädning te beginnen. Een min of meer willekeurig gekozen jaar natuurlijk, want je weet nooit wanneer Magere Hein je op komt halen.

Toen mijn broer, mijn zus en ik ons eind december 2015 aan het uitruimen van ons ouderlijk huis zetten, troffen we niet echt een woning aan die onder handen was genomen door de döstädning- spirit; ik vergeet nooit die eerste keer dat we gedrieën op de barstensvolle vliering stonden en daar een kastje aantroffen met kerst- en andere wenskaarten van minstens dertig jaargangen…

We keken elkaar aan: dit ging een hele klus worden, want dit was alleen nog maar de zolder; ook de eerste verdieping, de begane grond, de kelder, de bijkeuken en de garage stonden stampvol, eh, rommel.

‘Met de eigenaar waren de spullen hun bezieling verloren’, schrijft Esther Gerritsen over het leegstaande huis van de moeder van een vriendin van haar. Een waar woord.

Maar ook al hebben ze hun bezieling verloren, bij het uitruimen wil je al die dingen wel ‘door handen gehad hebben’; hoe onbenullig ook, je gooit niets zomaar weg. En zeker niet als je met zijn drieën uitruimt, zoals wij dus deden. Wat de een misschien het bekijken niet waard vindt, beschouwt de ander wellicht als een voorwerp met gevoelswaarde (zo heb ik zelf een op zich tamelijk oubollig theelepeldoosje en een vrij duffe kraantjespot gehouden als tastbare herinnering aan mijn ouders).

Wat verder herkenbaar is in Esther Gerritsens column: ze schrijft over haar schoonvader die ‘weer eens een nieuw apparaat had aangeschaft dat hij niet nodig had’.

Bij het leeghalen van onze vaders studeerkamer troffen mijn broer, mijn zus en ik minimaal twee massagematten aan, allebei nog in de originele verpakking en ‘fabrieksmatig’ opgevouwen: zo strak tot een pakketje gemaakt dat je dat zelf, als hij eenmaal uit de verpakking was gehaald, nooit meer zou kunnen.

Oftewel: die dingen waren nooit gebruikt, concludeerden wij drieën in koor. Zo kenden we onze vader; had-ie zich door een of ander gezondheidsprogramma gek laten maken en mijn moeder  duidelijk gemaakt dat de aanschaf van zo’n massagemat van vitaal belang was voor hun beider ziele- en lichaamsheil.

En mijn moeder liet hem dan maar begaan. Net zoals ze dat deed wanneer onze vader zijn vijfde winterjas of zijn zesde paar schoenen kocht.

Daar moesten we alle drie nog wel vertederd om lachen, maar tragischer werd het toen ik in mijn vaders boekenkast het bekende boek (en een dikke pil) van Dick Swaab Wij zijn ons brein tegenkwam. Ik trof een boekenlegger aan tussen bladzijde 28 en 29. Verder was mijn vader dus nooit gekomen.

Ik keek voorin het boek. Mijn vader had net als ik de gewoonte datum en plaats van aanschaf op de titelpagina te zetten. 29 oktober 2010 stond er. Dat was in een tijd dat de dementie en de alzheimer al in het geniep aan zijn geest aan het knagen waren. En dat maakt de ondertitel van Swaabs boek des te wranger: van baarmoeder tot alzheimer.

Je ouderlijk huis uitruimen is een uitputtende (vooral op het emotionele vlak), weemoedige en bij tijden onbehaaglijk stemmende klus; dat laatste hadden mijn broer, mijn zus en ik op momenten dat we gingen snuffelen in de waardepapieren van onze vader en moeder.

Gevoelsmatig had je daar niks te zoeken en je voelde je min of meer een inbreker bij je eigen ouders. Alsof ze elk moment op konden duiken en je vriendelijk vermanend zouden zeggen: ‘Hé, hé, wat moet dat daar tussen onze papieren?’

Maar helaas, ze doken niet weer op. We zijn inmiddels bijna twee jaar verder en het huis is allang overgegaan in andere handen.

Esther Gerritsen schrijft aan het eind van haar column: ‘De kasten in ons huis zijn te vol en met weinig logica verdwijnen er dingen als de la echt niet meer dicht kan. Toch koester ik de troep die iets betekent zolang we er nog zijn.’

Zo is het precies; al die gezellige troep die mijn ouders op hun vliering bewaarden, soms nog van tientallen jaren her, betekenden iets zolang ze er waren en ik ging er vaak eens tussen snuffelen als ik bij hen logeerde.

Maar zodra hun beider zielen uit het huis waren weggetrokken, hadden die voorwerpen hun waarde verloren. Daarom hebben we bij het uitruimen veel daarvan naar de stort gebracht.

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *