‘Is dit boek wel geschikt voor jou?’

Ik Jan Cremer was al een ‘onverbiddelijke bestseller’, nog voordat er ook maar één exemplaar van verkocht was. Jan Cremer had die kreet doodleuk op het omslag van zijn debuutroman laten zetten. Een geniale marketingtruc.

Vandaag (18 januari 2020), door een artikel over de afname van het aantal bibliotheken in Nederland waarin onder andere de dreigende verdwijning van de boekerij van Hurdegaryp ter sprake komt, voert mijn geheugen me terug naar wel 43 jaar geleden. Naar diezelfde bibliotheek van Hurdegaryp.

Als leerling van wat toen de lagere school heette kwam ik er regelmatig om… boeken te halen. Ja, jongens en meisjes, zo eenvoudig was het leven toen! Je ging naar een bibliotheek om boeken te halen en daarmee was de kous af. Lekker overzichtelijk.

Tegenwoordig moet een bieb een ‘multimediale beleving’ zijn, een ‘ontmoetingsplek’ met ‘kidscorners’ (brrr!) die als een van de doelen heeft ‘bevordering van de e-inclusie‘.

Godzijdank had je die flauwekul in mijn jeugd nog niet. Een bibliotheek (zoals die van Hardegarijp) was een saai, rechttoe rechtaan gebouw waar, stelling aan stelling, boeken stonden, gerangschikt naar genre.

Had je een roman, dichtbundel of non-fictiewerk naar jouw gading gevonden, dan begaf je je naar de bibliothecaresse, een aardige, grijze, wat stoffige dame, bij de ingang.

Je gaf het boek aan haar, waarna zij een stempel zette op een voorin het boek gelijmd blaadje dat- als ik mij niet vergis – de tekst ‘De uiterste leentermijn verstrijkt op’ vermeldde. De stempel die de bibliotheekmedewerkster zette toonde de datum waarop je het geleende werk uiterlijk terug moest brengen.

Ik had indertijd – ik was toen dertien – het een en ander gehoord over Ik Jan Cremer. Op een goede dag ging ik naar die bibliotheek in Hurdegaryp (dat vóór de duistere periode van de taalstrijd nog gewoon Hardegarijp heette) op zoek naar die ‘onverbiddelijke bestseller’, zoals Cremer zijn debuutroman doodleuk had genoemd, nog vóór er ook maar één exemplaar van verkocht was.

Toen ik het met hevig bonzend hart (jaren later zou ik dat weer hebben bij het binnenlopen van een seksshop) gevonden had, trok ik het boek uit de stelling en ging ermee naar de uitleenbalie (een groot woord voor een tafel met een stoel).

De bibliothecaresse, een vriendelijke, grijze dame, bekeek mijn keuze met een sceptische, afkeurende blik en vroeg mij toen, op afgemeten toon: ‘Is dit boek wel geschikt voor jou?’ Ik weet nog dat ik, zo jong als ik was, zonder blikken of blozen had geantwoord: ‘Ja hoor, dat moet ik lezen van school.’

Daarop had de bibliothecaresse, met een grimmige trek om haar mond, de roman afgestempeld en mij Ik Jan Cremer zonder verder iets te zeggen toegeschoven. Ze had de houding van iemand die iets heeft willen verhinderen maar wier advies in de wind is geslagen en die dan haar schouders ophaalt met een air van ‘ik heb gewaarschuwd, kom niet bij mij klagen als er iets mis gaat.’

Nu, na al die jaren, vind ik nog steeds dat ik indertijd voor zo’n jonge gast ad rem had gereageerd.

Die goede, oude bibliothecaresse zal inmiddels ongetwijfeld al rusten onder Gods vleugelen, want zoals ik mij haar herinner, was ze toen al van middelbare leeftijd. Aan haar zou ik willen zeggen: ‘Mevrouw, alsnog bedankt voor uw bezorgdheid, maar het is met mij nog aardig goedgekomen. Ik ben niet voor het leven bedorven door het lezen van die ontuchtige lectuur. Om eerlijk te zijn: ik vond er niet eens zoveel aan.’

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *