Heibel in een heilige stad

Als deze Indiase vrouw zou gaan bemiddelen tussen de hindoeïstische en islamitische kemphanen, dan zou het conflict snel beslecht zijn.

Vaak zoek je dagen, weken naar een geschikt onderwerp voor een weblogbijdrage en soms dienen zich dan ineens op een dag twee, drie thema’s aan. Gisteren (8 juli 2022) was zo’n dag: toen was er eerst het bericht over de moordaanslag op Shinzo Abe, de oud-premier van Japan, in Nara. Die stad was voor mijn geheugen de springplank om een plonsduik in het verleden te maken.

Later kwam er op het Achtuurjournaal een item voorbij waarin de naam Varanasi opdook: in deze voor hindoes heilige Indiase stad is er momenteel heibel tussen hindoes en moslims over allerlei tempels in de stad: zijn het nu aan Allah of aan hindoegoden gewijde gebouwen?

Hindoeïstische scherpslijpers dwingen via de rechter een herijking van allerlei moslimtempels af; zelfs het wereldberoemde mausoleum de Taj Mahal in Agra – een islamitisch monument – ontkomt niet aan deze fanatieke ‘spirituele ombouw’.

Het geweld tussen hindoes en moslims is niet van vandaag op gisteren: in 2012, 2015, 2020 en 2021 waren er ook hevige onlusten tussen de beide religieuze gemeenschappen in India, om slechts een paar voorbeelden van hevige botsingen te noemen.

De naam ‘Varanasi’ was voor mijn geest het ‘Sesam, open u’: ik was in 1998, dus bijna een kwart eeuw geleden, voor mijn zomervakantie in Varanasi geweest. Ik zat in de jaren negentig van de vorige eeuw volop in mijn ‘rugzakperiode’ (het woord ‘vliegschaamte’ bestond nog niet). En voor een backpacker was een reis naar India in die tijd welhaast een ‘moetje’.

Na een rondreis door Rajasthan (in het Noordoosten van India) en een bezoek aan de Taj Mahal in Agra, sloten mijn vrouw en ik onze rondreis door India af in Varanasi. Nou, dat hebben we geweten.

Varanasi mag dan een heilige stad zijn, maar net als andere grote Indiase steden als Jodhpur en Jaipur grossierde het in stof, uitlaatgassen, vuilnis en andere smeerlapperij. Van buiten schoon blijven was met zoveel vuiligheid om je heen haast ondoenlijk, maar dat was ook niet zo van belang; belangrijker was van binnen proper te blijven, maar dat bleek helaas helemaal ondoenlijk te zijn.

De ironie wilde dat mijn vrouw en ik de eerste avond dat we in Varanasi waren expres naar een Chinees restaurant gingen, om geroerbakt – dus hygiënisch – voedsel voorgezet te krijgen, maar, net als de tuinman in het gedicht ‘De tuinman en de dood’ van P.N. van Eyck, kon ik blijkbaar mijn lot niet ontlopen die avond: ik moest ziek worden.

In het holst van de nacht gaf mijn darmkanaal luidruchtig te kennen dat de avondmaaltijd niet goed gevallen was. En de dag daarop volgend voelde ik mij ellendig. ‘Ik dacht dat ik dood ging’ is wellicht overdreven, maar waar ik wél heen ging, was mij op dat moment evenmin duidelijk. Nou ja, niet naar het paradijs, dat was me wel klaar.

Maar ik was nu eenmaal in Varanasi en dan móet je de burning ghats, śmaśāna, hebben gezien, de stenen oevers van de Ganges in Varanasi waar openbare openluchtlijkverbrandingen plaatsvinden; anders kun je met goed fatsoen niet thuiskomen.

Dus ik sleepte me die middag slap, zwetend en duizelig naar die primitieve openluchtcrematoria. Maar ook hier speelde datzelfde Lot dat mij de vorige avond het verkeerde restaurant had laten kiezen mij parten: ik zou die dag niet bij de ghats komen; nee, in plaats daarvan zou ik, amechtig hijgend, hangend op een riksja, teruggevoerd worden naar mijn hotel waar ik mij als een mol door het aardedonker van de nacht groef.

Er zijn veel steden waar ik graag nog eens voor een tweede of derde een bezoekje zou brengen, maar Varanasi laat ik graag aan mij voorbijgaan.

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.