Eenzaamheid: heilzaam of fnuikend?

Friedrich Nietzsche, de man die de eenzaamheid verheerlijkte (maar er stiekem ook wel aan leed).

Gisteren (29 juni 2020) las ik in De Volkskrant de column ‘Eenzaamheid is niet alleen sneu, maar schaadt ook de gezondheid’ van huisarts Rinske van de Goor.

Van de Goor neemt eenzaamheid als thema voor haar stukje, omdat die in deze coronatijden ‘een hot topic’ is: ouderen in een verzorgingstehuis die hun naasten niet meer mogen ontvangen en daardoor wegkwijnen, pubers die thuis vereenzamen omdat ze hun schoolkameraden niet regelmatig zien, het behoeft geen betoog dat eenzaamheid in zulke gevallen bepaald geen pretje is, wat zeg ik, zelfs dodelijk kan zijn: het staat op de site van Health Europa en dan is het WAAR.

Heel anders tegen de eenzaamheid keek de beroemde en door mij zeer bewonderde filosoof Friedrich Nietzsche aan (ik lees momenteel zijn geschrift Jenseits von Gut und Böse (Voorbij goed en kwaad), vandaar het bruggetje). Als je bij Google ‘Nietzsche Einsamkeit’ intikt, dan krijg je 732.000 hits (gisteren zelfs 744.000; het lijkt de dagkoers wel). Dat zegt natuurlijk wel iets.

Nietzsche schuwde de eenzaamheid bepaald niet, hij zocht haar juist op, zag in haar een heilzaam iets. Hij schreef zelfs een (verloren gegane) ‘hymne aan de eenzaamheid’, waarin hij met typisch nietzscheaanse pathetiek schreef dat hij haar ‘gruwelijke schoonheid uit volle, dankbare borst verheerlijkt had.’

En met zijn kenmerkende gevoel voor taal zegt hij ergens (als ik het wel heb in Menschliches, Allzumenschliches) dat hij veel meer aan de ‘veelzaamheid’ heeft geleden dan aan de eenzaamheid.

Daarbij kan Nietzsche, die in zijn geschriften een on-Duits gevoel voor humor aan de dag legt, het niet laten met ironie te schrijven over die Einsamkeit. Wat te denken van het volgende citaat: ‘In der Einsamkeit frisst sich der Einsame selbst auf, in der Vielsamkeit fressen ihn die Vielen. Nun wähle.’ (In de eenzaamheid vreet de eenzame zichzelf op. In de veelzaamheid vreet de meerderheid hem op. Nou, kies maar.)

Nietzsche, die in zijn filosofische werken meermalen stelt dat een filosoof hard moet zijn voor zichzelf, omarmt zijn lot van einzelgänger met volle overtuiging. In Die fröhliche Wissenschaft schrijft hij onomwonden: ‘Amor fati: das sei von nun an meine Liebe!’ (De liefde voor het lot, laat dat van nu af aan mijn liefde zijn!)

Dat mag zo zijn, maar ook Nietzsche – zelfs Nietzsche – vindt het alleenzijn uiteraard niet fijn. In een brief aan de Duitse theoloog Franz Overbeck geeft hij toe dat de eenzaamheid hem allesbehalve licht valt:

‘Wenn ich Dir einen Begriff meines Gefühls von Einsamkeit geben könnte! Unter den Lebenden so wenig als unter den Toten habe ich jemanden, mit dem ich mich verwandt fühlte. Dies ist unbeschreiblich schauerlich; und nur die Übung im Ertragen dieses Gefühls und eine schrittweise Entwicklung desselben von Kindesbeinen an macht mir’s begreiflich, daß ich daran noch nicht zugrunde gegangen bin.’ (‘Als ik je een idee zou kunnen geven van mijn gevoel van eenzaamheid! Noch onder de levenden, noch onder de doden heb ik iemand met wie ik me verwant voel. Dat is onbeschrijflijk gruwelijk; en alleen het oefenen in het verdragen van dit gevoel en een stapsgewijze ontwikkeling daarvan van kindsbeen af maakt het voor mij begrijpelijk dat ik daaraan nog niet te gronde ben gegaan.)

Uiteindelijk is Nietzsche krankzinnig geworden. Zie je wel, zullen veel mensen zeggen (het merendeel zelfs met een nauwverholen triomfantelijkheid en met leedvermaak), dat krijg je ervan. Ze zullen in Nietzsches geestelijke ineenstorting het bewijs zien dat een zelfgekozen afsluiting van de rest van de mensheid fnuikend voor het welbevinden van een mens is.

Even terug naar de column van Rinske van de Goor. Zij schrijft: ‘…eenzaamheid schaadt de gezondheid. Ze verwoest levens.’

Friedrich Nietzsche zal dat zelf niet zo gezien hebben, al was het in feite wel zo – een levenslange eenzaamheid was de hoge prijs die hij voor zijn genialiteit heeft moeten én willen betalen. Niet voor niks luidt een van zijn aforismes uit Menschliches, Allzumensliches: Genie: Ein hohes Ziel – und die Mittel dazu wollen.’ (Genie: een hoog doel én de middelen daartoe willen)

Zijn geestelijke arbeid is een ongelooflijk waagstuk dat niemand hem zal nadoen, maar de tol die hij ervoor heeft moeten betalen is – ik zou haast zeggen krankzinnig – hoog: de laatste elf jaren van zijn leven sleet de eens grote filosoof in toenemende mate van geestelijk verval in diverse klinieken voor geesteszieken.

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *