De grote kleine kapitein

De kleine kapitein van Paul Biegel, met de voorkant die mijn uitgave van 1970 ook heeft.

Een paar dagen geleden kocht ik voor een habbekrats de omnibus De grote kleine kapitein. Vandaag (23 februari 2020) herlas ik, na 49 jaar, het eerste deel van de drieluik over de kleine kapitein die simpelweg De kleine kapitein heet. Ik las het boek – dat in 1970 uitkwam – dus voor het eerst als zevenjarige en het is sindsdien gaan behoren tot mijn favoriete jeugdboeken.

Nu, bij herlezing, viel me op hoe fris de taal nog is waarin Paul Biegel de avonturen goot van de kleine kapitein, Marinka, Dikke Druif en (Bange) Toontje. Toegegeven, er komen soms wat moeilijke (smiespelen, sporrelen) of ronduit ouderwetse (kim, wambuis), woorden in voor die voor een zevenjarige even slikken zijn, maar afgezien daarvan is het een meeslepend boek waarin zeer tot de verbeelding sprekende avonturen staan. Het viel me op hoeveel ik nog van het boek wist na bijna een halve eeuw. Dat bewijst wel dat het destijds indruk op me heeft gemaakt.

Ik ga het hele boek niet navertellen (de geïnteresseerde lezer kan hier een samenvatting lezen); waar het mij om gaat is dat het mij na zoveel jaar aangenaam verraste dat ik de magie na kon voelen die mij als zevenjarige gevangen hield bij het lezen van de avonturen van de Nooitlek (geniale naam voor een schip, trouwens): op een gegeven moment vaart het scheepje door een stenen poort in de vorm van twee draken die onder invloed van zonnewarmte tot leven komen.

En de avonturiers meren later aan bij een stad-op-palen, midden op zee, waar alle kleur verboden is, behalve op een poster die overal in de grauwe stad hangen en waar Galatea op staat afgebeeld, de vrouw die door de plaatselijke Norse Heerser wordt verafgood.

Ja, het was een aangenaam weerzien met de hoofdpersonen van destijds, de kleine kapitein, Marinka, Dikke Druif en (Bange) Toontje. Mijn leeservaring bij De kleine kapitein doet wel denken aan wat de ik-persoon in het gedicht Winnetou van Gerrit Achterberg ervoer bij het terugvinden van een boek met de avonturen van Winnetou en Old Shatterhand.

Toch was de hernieuwde ontmoeting met het boek van Paul Biegel waar hij in 1972 De Gouden Griffel voor kreeg niet alleen maar leuk: het deed me ook eens te meer beseffen hoeveel tijd er vergleden was sinds die eerste lezing en dat ik nooit meer zo zou kunnen lezen zoals ik als kleine jongen gedaan had. Voorbij, voorbij, o, en voorgoed voorbij!

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *