Brieven aan een schrijver

De tweede brief die ik in april 1987 kreeg van Gerard Reve

© Coen Peppelenbos

 

Vandaag (28 maart 2014) staat de column Brood van Peter Buwalda in De Volkskrant (ik kan er helaas geen link naartoe maken, want voor de digitale versie moet je nota bene betalen).

 

Buwalda citeert een ultarkorte hatemail die hij toegestuurd kreeg van een verafschuwer die zelf ook literaire aspiraties lijkt te koesteren, gezien zijn beeldspraak:

 

'Peter Buwalda & De Bezige Bij: ranzige boter op beschimmeld brood.

Duidelijk zo, onwaardige?

Getekend,

Jan Ypinga

 

Slik. Het zal je maar gezegd worden. 'Andr� Degen en De geluksverdeling: een drol met het schijtpapier er meteen bij geleverd.' Zoiets.

 

Dat 'Duidelijk zo' is natuurlijk een zwaktebod en een ware schrijver onwaardig. Als het beeld blijkbaar niet voor zichzelf spreekt, heb je je werk als auteur niet goed gedaan. Maar dat terzijde. Buwalda reageert droog-sarcastisch op de vermomde scheldkanonnade en dat maakt zijn kolom bepaald komisch

 

Brood bracht mij de beide brieven in herinnering die ik in 1986 en 1987 van Gerard Reve mocht ontvangen (die toen nog in goede doen was en nog niet aangetast door Alzheimer).

 

Ik had op een goede dag eigen werk ter beoordeling aan de Grote Volksschrijver opgestuurd. Een krankzinnig plan? Jazeker, maar het aloude adagium dat 'brutalen de halve wereld hebben' ging weer eens op, want wie schetste mij verbazing toen ik op een goede dag in februari '86 mijn eerste brief van Reve kreeg?

 

Toen mijn moeder kwam aanzetten met de envelop (net als Frits van Egters in De avonden woonde ik op 23-jarige leeftijd nog thuis), nam ik die met van opwinding trillende handen van haar over, want ik herkende onmiddellijk het kriebelige handschrift. Ik maakte hem open en las wat Reve mij had geschreven:

 

'Zeer geachte heer Wegen (mijn geschreven hoofdletter D is nogal zwierig en kan inderdaad aangezien worden voor een W – AD –),

 

Dank voor Uw brief van 27 Januari, en voor de copie�n van Uw tiepschrift van Huisvrouw en Golzheimer B�rge.' Om even verderop te vervolgen met: 'Wat mij opvalt is een even sober als effectief woordgebruik. Uw tekst is nergens gezwollen. Ik vind deze schetsjes een stuk beter dan de malle en gezochte overdenkingen, die men in dag- en weekbladen aantreft.'

 

Zo! Daar was ik als jonge man die van een schrijverscarri�re droomde maar wat blij mee! En een jaar later kreeg ik, iets na Pasen, een envelop bezorgd, die niet alleen een brief van twee kantjes, maar ook een door Reve uit eigen beweging opgestuurd en zelf van een opdracht voorzien exemplaar van Zelf schrijver worden bevatte.

 

Er stroomde toen een gevoel door mij heen dat zich het beste laat samenvatten met een kleine variatie op Reve's woorden uit zijn gedicht De blijde boodschap: 'Je vraagt je wel eens af: waar heb ik het aan verdiend?'

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.