Uit voortijdige verten is hij aan komen wentelen. Nou ja, ‘wentelen’; hij is hier beland met wat van stilstand niet te onderscheiden is. Ze zeggen dat een rollende steen geen mos verzamelt, maar hij bewoog zo traag dat dat had gekund. Hij is geheel naakt. Zijn verplaatsing was meer een winterslaap-in-beweging, onder die dikke, beschermende witte kap, dan een echte reis. Het was begraven zijn, diep onder een kille lijkwade. Voor de rest van zijn bestaan mag hij nu stilliggen, aan het begin van onze oprijlaan.
Mensen die hem zo massief bewegingloos zien staan, denken niet aan ‘zwerf’, terwijl dat toch een deel van zijn wezen uitmaakt. In hun ogen is hij onverzettelijk immobiel, alsof hij daar al sinds de oertijd is.
Verlangt hij terug naar die beschermende reisdeken die hem zo lang aan het oog heeft onttrokken? Nu staat hij daar open en bloot, een prooi voor de elementen.
Hij werd niet voortgedreven door rusteloosheid hiernaartoe. Zijn tocht was rust, steeds een stukje opgeschoven in de tijd en in de ruimte. Hij zal nog vele klauterkinderen op zich gedogen. Vele generaties zullen hem bedekken en hem weer verlaten.

Hij kan hier een ijstijd lang staan. Hij zal ook die overleven.

facebooktwitterby feather