Een ademtocht zo diep

dat druppen moesten volgen

blies zich uit

in een vogelzwerm

in de knikkende kruinen.

En het bos werd een schip

met duizenden masten

dat zacht de wereld uitdreef.

 

Wij waren

tot de zeebodem verzonken aardmannetjes.

Het licht raakte verstrooid.

De reuzen van het woud

spraken over onze hoofden heen.

Even lag het laatste daglicht

op de boomtoppen

als eeuwige sneeuw.

 

Wij stonden in een vitale kathedraal

die openstond voor iedere zucht.

 

Via slingerpaden

het toverbos van weleer binnenglippen

en het schuwe geluk besluipen…

Maar wij wisten niet:

het hondsdolle ongeluk

had zijn burcht verlaten

en beet iedere indringer

met zijn waanzin aan.

facebooktwitterby feather