Tuileries_Garden_05

Vandaag (20 november 2015) is het alweer een week geleden dat in Parijs de afschuwelijke aanslagen plaatsvonden die ons nog eens ruw onder de neus hebben gewreven dat de barbaren niet alleen aan de poort bonzen maar al binnen zijn.

Het regent bommeldingen, ook in Nederland, en de vraag dringt zich op: wordt het ooit weer rustig in West-Europa? En vinden we ooit onze onschuld weer terug? (zo we die ooit hadden)

In dit soort onrustige periodes is het een menselijke reflex om terug te grijpen naar andere tijden die ons, in retrospectief, idyllisch en vreedzaam toeschijnen (ten onrechte, natuurlijk).

Zo zie je dat mensen in het gewonde en aangeslagen Parijs van nu graag teruggaan naar de ‘années folles’, de roaring twenties, die Hemingway beschrijft in zijn boek A moveable feast en die nu gezellig en zorgeloos lijken. In de Franse vertaling heet die roman Paris est une fête en het schijnt momenteel uitverkocht te zijn in Frankrijks hoofdstad.

Maar was het vroeger allemaal beter? (SPOILER ALERT: nee, natuurlijk) In De Volkskrant van deze vrijdag staat een interview met Jan Siebelink die in zijn jonge jaren in Parijs woonde om Frans te studeren. Wie in deze bange tijden terugverlangt naar ‘die goeie ouwe tijd’, moet bedenken dat het Parijs in dat jaar 1961 allesbehalve idyllisch was:

Allereerst was er de terreur van de OAS (Organisation de l’Armée Secrète) die streed tegen de onafhankelijkheid van Algerije en daar zelfs de president (De Gaulle) voor wilde vermoorden. Jan Siebelink schetst in het vraaggesprek een weinig romantische Lichtstad. Kom er maar in, Jan:

‘Het was 1961, ik studeerde er Frans na mijn militaire dienst. In die tijd was de gewelddadige rechts-extremistische terreurorganisatie Organisation de l’Armée Secrète (OAS) actief. Ik weet nog goed dat ik op een terras aan de Boulevard de Sébastopol zat met een roman en een espresso. Toen ik terugkwam na mijn college was het hele café weggevaagd door een bom. Toen kwam de terreur erg dichtbij. In dat jaar zijn er duizenden mensen omgekomen. De stad was gehuld in blauwe rook. Daar gaat mijn roman De Blauwe Nacht over. Er wordt nu gezegd: geweld als dit is nog nooit vertoond…’

Op 17 oktober van dat jaar vielen er maar liefst 200 (!) doden bij een – vreedzame- demonstratie van Algerijnen tegen de avondklok in Parijs. Verantwoordelijke hiervoor was de beruchte en nooit bevredigend gestrafte ‘naziheuler’ Maurice Papon, die destijds hoofd van de Parijse politie was.

1961 was dus een zwart jaar in de Franse geschiedenis en toch is het daarna wel weer gezellig geworden in, wat ik beschouw als, de mooiste stad ter wereld. Dit zeg ik niet om de aanslagen in Parijs te bagatelliseren – verre van dat – maar meer als bemoediging: net als gras kun je de menselijke waardigheid wel tijdelijk plattrappen, maar als er maar genoeg tijd overheen gaat, richt zij zich altijd wel weer op.

facebooktwitterby feather