Prozagedichten

De onaanraakbaren

Het is ons haast pijnlijk, maar wij zijn werkelijk jong, knap, rijk en succesvol.
De modderkruipers proberen ons door het slijk te halen, ze wijzen erop dat wij niet oud worden. Daarmee vangen ze ons niet: hun jaren passen in onze weken.
In ons gezelschap is het ongepast ouder te zijn dan dertig. De vroegtijdige dood van een van ons is daarom nooit echt treurig; de overledene heeft slechts het verval de pas afgesneden.
We draaien losjes aan de spaakknop van de roulette, laten warme luxe onze lofts binnenstromen.
De hemelkoepel is de enig passende kap op onze cabrio’s waarmee we langs afgronden scheren. Nergens is het uitzicht beter.
We houden ons op in gebieden waar het zomerregime geldt. We laten ons toewuiven door palmen.
De grote stad is ons domein. Grachtenpanden, operahuizen, schouwburgen, ons natuurlijk decor. Op het platteland worden onze woorden opgezogen door de slobberige leegte, in een metropool zoemen onze berichten via bovenleidingen razendsnel rond.
Wij sarren god; over zijn hoofd heen verwijzen we mensen door naar een betere wereld.
Wij geloven in piramides. En daarom is alles onder ons daar om ons de hoogte in te tillen.

facebooktwitterby feather
Reageer >>>

Duikklok

Wij werken al een tijd in de duikklok en vertrouwen erop dat onze collega’s ons zodadelijk weer op zullen takelen. Maar, wie weet, wat er gebeurd is in de korte tijdsspanne dat we nu beneden zijn. Misschien zijn de omstandigheden daarboven zo razendsnel veranderd dat men wel wat anders aan zijn hoofd heeft dan ons op te hijsen. Wie stelt dan nog belang in de vondsten die wij op de zeebodem gedaan hebben? Wie hoort nog de schreeuw in de steeds nauwer om ons sluitende stolp van lucht?

facebooktwitterby feather
Reageer >>>

De goederentrein

De laatste trein had ik gemist. Ik liep daarom over het grindpaadje naast de rails tussen de stad waar ik mij dagelijks weer liet vastzetten, en mijn woonplaats, een braaf dorpje dat tegen de spoorlijn lag aangevlijd. Mijn vrouw wachtte mij daar op. Ik bedacht hoe heerlijk het zou zijn op te gaan in de onmetelijke nacht, iedereen het nakijken te geven. Het huishoudboekje was voor mij allang gesloten.
Ik schrok van een donker grommende goederentrein die mij van achteren naderde. Daarop springen en als verstekeling naar een land vluchten waar werd gedicteerd in een mij onverstaanbare taal! Ik moest snel beslissen, de locomotief ademde mij in de nek. Ik keek achterom, recht in de ogen van de loc, haas gevangen in een koplampbundel. De eerste wagons waren mij al voorbij, toen ik mij op een treeplank slingerde.
…Versuft door de klap kwam ik na enkele seconden weer bij, terwijl de lucht van ijs langs mijn slapen gierde. Bij elke kruising met het gewone leven kromp ik ineen, bang dat ik opgemerkt zou worden. Koplampen werden alerte zoeklichten.
Eindelijk, toen er geen ahobs of andreaskruizen meer verschenen en de duisternis mij geheel opnam, kon ik mijn gedachten ordenen. Vanaf mijn zitplaats keek ik naar achteren, de schimmige rij wagons af en ik bedacht dat ik nu al mijn zwakheden moest afkoppelen, heimwee, wroeging, spijt, angst, tot alleen de locomotief met een nieuwe, doelgerichtere bestuurder zou overblijven.

facebooktwitterby feather
Reageer >>>

De allerlangste dag

Ik roeiend, jij languit op je rug, kijkend naar de lucht. Elke beweging van mij aan de spanen is de streek van een schilder die jou nieuwe landschappen binnenvoert. Jouw glimlach plant zich voort door het water.
Het paviljoen op het eilandje midden in het meer laat alle windstreken toe. Vanzelfsprekend buigt de ober voor ons. Dankbaar raapt hij jouw knikje op.
À l’improviste declameer ik een viergangengedicht uit de voor mij opengevouwen menukaart. Jouw tong wentelt elk woord. Tegen de kelner zeg je: ‘Breng ons zondoorstoofde vruchten. We willen ons ook het licht van ergens anders te binnen brengen.’
De bosschages, lieflijk-verwilderd, losjes om onze schouders. Vogels laten zich niet vastleggen, gelukkig. We glimlachen om de levende frêle broche, even op jouw jurk waar de zomerbries zo vaak mee aan de haal gaat. Uit onze armen vlechten we een prieel.
Ik leg aan bij jou. Je fluistert: ‘Stel dat de zon het lek in de hemel is waaruit alle geluk wegloopt. ’s Nachts, als de wond dicht is, dromen we dat weer naar ons toe.’
Als ik terugroei, mogen we een reuzerug vermoeden die zich uit donkergedachte dieptes op wil tillen. Ik help jou de houten loper op die voor ons ligt uitgerold.
Krekels wrijven hun vleugels tegen onze gloeiende wangen. Kikkers in het poeltje naast ons blazen hun hart buiten hun lichaam. Met één oor op jouw borst, één oor volgestroomd met nachtegaalzang ben ik de stilstand van getijden.

facebooktwitterby feather
Reageer >>>

Het zwarte licht

De zon is zelf vergeten hoe oud hij is. Hij heeft zelfs geen kracht meer om zijn eigen lichaam te verwarmen. Zijn licht is grijs. Deze ochtend had hij amper energie zichzelf boven de horizon uit te tillen. De hele dag bleef hij laag aan de hemel hangen.
Vroeger durfde niemand de zon recht aan te kijken, nu slaat de eerste de beste aardbewoner vrijpostig zijn blik op naar zijn grauwe staaroog.
We hebben geleerd onszelf te verwarmen, niet langer afhankelijk te zijn van de oeroude warmtebron. We wapenen ons tegen het uitdoven van de zon, zo meteen. De zon in ons bestaan evolueerde van levensbrenger, door iedereen met vreugde begroet, tot stoffige toneellamp hangend in een vergeten hoekje.
Binnen afzienbare tijd zullen wij – macht der gewoonte – de diepduistere hemel afturen, op zoek naar de cirkel die een nog donkerder oppervlak omsluit. En wij zullen het zwarte licht koesteren als een flauwe herinnering aan het oorspronkelijke licht dat ooit zo gul over ons werd uitgegoten.
De aarde zal zich tenslotte losmaken van de aantrekkingskracht van de zon en een andere baan kiezen. In die zoektocht zal de aarde een ander hemellichaam op haar weg vinden dat de zon zal doen verbleken.
We keren de zon wel erg gemakkelijk de rug toe. Zonder weemoed, zonder dankbaarheid. Zoveel duizenden jaren heeft hij ons belangeloos warmte geschonken en daar hoog boven over ons gewaakt. Nu nemen we zomaar afscheid. Maar de zon is te zwak om ons terug te veroveren.
Het zonnestelsel was een familie waar de leden nooit nader tot elkaar kwamen, waartussen zwijgen en duistere kilheid heersten. Als de zon op sterkte was gebleven, had hij ons bij elkaar kunnen houden. Nu het centrum ineenstort, moeten wij weg om te overleven.

facebooktwitterby feather
Reageer >>>

De vrouw met het houtblok

Er liep een vrouw rond met een houtblok in haar armen. Ze had het babykleertjes aangetrokken. Hoewel dat er natuurlijk raar uitzag, waagde niemand daar de spot mee te drijven. Als je in haar ogen keek, voelde je namelijk dat daarachter een groot verdriet moest liggen, zoals je achter een grotingang een enorme, donkere ruimte vermoedt.
Men liet haar lopen – ze deed geen vlieg kwaad – en speelde het spel mee. Sommigen gingen daar vrij ver in: die bogen zich bijna dagelijks over naar het roerloze kind, om te informeren naar zijn welbevinden.
Op een dag kwam er een meisje van buiten in onze kleine gemeenschap. We hadden haar nooit toe moeten laten. Met een stem die glas kon breken zei ze tegen de vrouw: ‘Wat gek: waarom draagt u een houtblok in uw armen met kleren aan? Het is toch geen kind?’
Eenieder die toevallig in de buurt was hield de adem in: hoe ging de dolende speelmoeder op deze ruwe vraag reageren? Ze zei niets, maar stille tranen vielen uit haar ogen op wat ze voor haar kind hield.
De volgende dag liep de vrouw, net als voorheen, rond met haar houtblok, maar met dit verschil dat ze het de babykleertjes had uitgetrokken. Daardoor was goed te zien dat er op verschillende plaatsen loten aan het houtblok waren ontsprongen.

facebooktwitterby feather
Reageer >>>

Follow Us

facebooktwitterby feather