Gedichten

Uit het leven gegrepen

Bij de uitgang
van het crematorium
stond een piepjong meisje
ingezet als tegenspeelster
van de dood.

Ze deelde gedenkprentjes uit
waarop stond
hoe de familie graag wilde
dat hij naar buiten trad.

Beide armen in de lucht
alsof hij onzichtbaar gewicht
moeiteloos optilde. Tjoep.

Hij had de zee
achter zich staan.
Dat was toen overal
nog zomer heerste.

Even later
zat ik alweer zonnestralen te slurpen
morste uit beide mondhoeken.
Lachend.

Ik moest me schamen
voor het verspillen
van zoveel overvloed.

Maar dat deed ik niet.
Hij zou het me
verboden hebben.

© André Degen

facebooktwitterby feather
Reageer >>>

Verrotte kop

In een krakersbolwerk
liep ik Saar
mooi punkbeest
tegen het zacht gebleven lijf
dat al die piercings niet nodig had
om in vorm te blijven.

Saar ‘hield van mannen
met verrotte koppen
aan wie je kon zien
dat ze geleefd hadden.’
Ze keek mij dus met minachting aan.

Ik kan Saars bewondering
naar mij toe halen
door mijn lichaam uit te roken
mijn lever stuk te drinken
zodat mijn lijf een kraakpand wordt
waar zij graag in woont.

Na jaren kom ik dan terug bij Saar
om haar trots mijn uitgewoonde kop
op een presenteerblaadje aan te bieden.

Maar waarschijnlijk zou ze dan zeggen:
‘Mmm… bij nader inzien
vond ik je met die babyface toch lekkerder.’

© André Degen

facebooktwitterby feather
Reageer >>>

Bouwers

Toen wij met
eendrachtige klauwen aarde
de beek dwongen
bij ons stil te staan
dachten wij
de loop der dingen
in de hand te hebben.

Er kwam een man
met wenkbrauwen
als stekelheggen
stroomopwaarts.

Hij sloeg een wond
in onze dam
trommelde wegwezen
in onze oren.

Zo leerden wij volwassenheid
uit de weg te gaan.

facebooktwitterby feather
Reageer >>>

Zeegat

In de taveerne verwacht ik slingerlampen

als windkracht tien opsteekt

onder bonken

skuumkoppe op de lippen, uitgebeten taal

zegt me dat ze hier brandewijn drinken

gestookt van zeewier en mosseldrab

bij vuren van wrakhout en volle maan

uitrollen over de zoete zilte

van aan wal getrokken zeemeerminnen

slapen op kussen matras met helmgras gestopt

in de achtertuin schurkt tegen de heg

waaks grommend huisdier.

facebooktwitterby feather
Reageer >>>

Het veld van eer

Toen ik nog samenviel
met de schaduw
van mijn grote broer
mocht ik altijd mee
op expeditie
omdat ik zo goed
dood vallen kon.
Onze hoofden nog braak
voor onlandige groeisels
vocht onze jeugd zich los
van vele oude vijanden.
Dood was nog niet eng
maar een zinderende verte
die trappelend volliep
met het onbekende.
Gevallen door
onzichtbare kogels,
mijn gezicht gedrukt
in het geurige gras
voelde ik mij
gelukzalig opgeheven,
wachtend
tot ik weer op mocht staan
uit een pijnloze dood
(Het sein was
het vingerknippen
van mijn broer).
‘Waar zijn we nu?’
-‘Llana Estacado.’
En de klanken tinkelden
het landschap exotisch;
hof waar van alles
de kop opstak.
Ons bloed
kwam in een stroomversnelling,
kroop dicht aan de huid, klopte.
Sloten werden tot kreken omgeleid;
hun stroomgebied
vervloeide natuurlijk
met ons aderstelsel.
Een huis in aanbouw
bleek weerstandsnest.
Bevel van mijn broer:
uitroken
met de aangestoken graspollen.
Onze wonden verzorgden wij
met uitgebeten zuringstengels.
Wij kenden van onkruiden
de heilzame werking.
Wanneer de mantel
van de schemering
nauwer sloot
doofden wij onze rietsigaren:
de vijand
mocht geen lucht van ons krijgen.

Het thuisfront
dat geen idee had
van onze strijd
wreef lachend
de viezevazen
uit ons hoofd,
dat even tevoren nog
de zegening had gekend
van een tropische waterval.
De gloed van het kampvuur
lag op onze wangen na.

Wij wisten:
wij zouden het onderspit delven
tegen de kolonisten.

facebooktwitterby feather
Reageer >>>

Recente reacties

Follow Us

facebooktwitterby feather