Posts made in september, 2017

Hè?! Wat hoor ik nou? Ik mag niet meer drinken!

Wordt dit dan ons aller voorland: toosten met melk?

Hè, getverderrie. Denk je gezellig thuis te komen na een weekendje Heidelberg (waar je echt niet onmatig maar wel enthousiast hebt genoten van de vruchten des wijnstoks en hebt gehapt in gersthoppige moutbrouwsels), stuit je vandaag (24 september 2017) op DIT artikel.

‘Gezond drinken bestaat niet’ en: ‘De enige gezonde alcoholinname is geen alcoholinname’ (een feit als een mokerslag dat in het artikel na dreunt in de variant ‘Drinken is al vanaf een glas per dag schadelijk voor de gezondheid.’).

Oef. Daar wordt de drinkende mens niet vrolijk van. Hoopte je tot voor kort de wetenschappelijk onderbouwde en opluchtende waarheid te kunnen omarmen dat matig drinken geen (niet al te veel) kwaad kon, nu blijkt er qua gezondheid een zero tolerance ten opzichte van alcohol te gelden. Oftewel: er is geen ontsnappen meer aan; we moeten gewoon stoppen met drinken. Tenminste, als we onze gezondheid niet willens en wetens willen schaden (en wie zou durven beweren dat zijn gezondheid hem niet na aan het hart ligt?).

Er zijn geen uitvluchten meer, de wetenschap heeft het ons klip en klaar op een presenteerblaadje geleverd (samen met een lekker glaasje melk), nu is het aan ons om er wel of niet wat mee te doen. Niemand kan meer zeggen ‘Ich habe es nicht gewusst’ of ertegenin brengen dat ‘er toch ook onderzoeken zijn die zus of zo beweren’. Nee, nee, nee.

Toch zullen deze onderzoeksresultaten – die toch zonneklaar zijn – naar mijn idee niet leiden tot acute en massale drankafzwering. Daarvoor heeft de menselijke geest namelijk een ontsnappingsroute gecreëerd: de zogenaamde cognitieve dissonanantiereductie. Om dat uit te leggen gaan we even te rade bij Hoe we onszelf voor de gek houden van de psycholoog Suzanne Weusten (een zeer interessant en lezenswaardig boekje, doch dit terzijde).

‘Cognitieve dissonanantiereductie is een psychologisch mechanisme dat ervoor zorgt dat de dissonantie tussen iemands gedrag (bijvoorbeeld alcohol drinken – AD -) niet strijdig is met zijn opvattingen of overtuigingen, met nieuwe inzichten.’

Wanneer er spanning ontstaat tussen iemand gedrag (drinken) en informatie die strijdig met zijn opvattingen/overtuigingen, dan ga je een verhaaltje verzinnen om die spanning op te heffen, want permanent leven met die spanning lukt natuurlijk niemand.

En dan krijg je drogredeneringen als ‘je kunt morgen ook onder een tram komen’, ‘je kunt nog zo gezond leven, maar dat is geen garantie dat je geen kanker krijgt’ of – ook een mooie – ‘ik leef verder heel gezond, dus kan een beetje drinken geen kwaad’.

Leuk bedacht, al houdt het geen stand en begrijpelijk, maar wij weldenkende mensen die gewoon houden van een gezellig glas moeten dus verder met de ongemakkelijke waarheid ‘gewoon geen drank is het allerbeste voor je gezondheid’.

Voortschrijdend inzicht is een mooi iets, maar in een zwak moment ga je bijna hopen dat de wetenschap wat minder ver gevorderd zou zijn…

facebooktwitterby feather
Reageer >>>

Hoedt u voor de woordenzwendelaars!

Een goede dichter haalt overal zijn inspiratie vandaan

Vandaag (17 september 2017) lees ik de zaterdageditie van De Volkskrant. Daarin staat in, in het katern Sir Edmund, een interessant artikel van poëzierecensent Arjan Peters.

Peters giet zijn artikel in de vorm van (fictieve?) brieven aan drie bekende Nederlandse dichters (in volgorde van opkomst: Ellen Deckwitz, Menno Wigman en Laura van der Haar). Het antwoord van het Parnassus-triumviraat staat steeds achter de brief.

Arjan Peters uit in zijn brief aan Deckwitz het vermoeden ‘dat de lezer van poëzie gemakkelijker belazerd kan worden dan de lezer van proza’. Daarmee bedoelt hij dat we keurig eerbiedig doen, als een dichter de P.C. Hooftprijs heeft gekregen en inmiddels tot de émincence grise van de dichtkunst is gaan behoren.

Als zo iemand beschamende flauwiteiten opdist door twintig keer ‘Een ogenblik geduld alstublieft/We zullen u zo spoedig mogelijk te woord staan’ achter elkaar te zetten en daar dan de titel Telforts droom aan te geven, dan is er niet snel iemand die opstaat en luidkeels zegt: ‘De keizer heeft geen kleren aan!’ Terwijl je dat wel gewoon zou moeten doen, want iemand die de P.C. Hooftprijs heeft durven toucheren voor zijn oeuvre moet zich de oren van zijn kop schamen dat hij met dit soort gemakzuchtige rotzooi aan komt zetten.

Maar ja, stelt Arjan Peters terecht,’poëzielezers denken al gauw dat het aan hen ligt’; je wilt niet voor achterlijk of bekrompen versleten worden, nietwaar, dus als een oude winnaar van een van de belangrijkste literaire prijzen zo’n gemakzuchtige ready made in zijn nieuwste bundel durft te plaatsen, dan denk je als lezer al snel: tsja, ik vind het stiekem niks, maar K. Schippers doet het, dus hij zal er wel een diepere bedoeling mee hebben die ik niet vat. Terwijl de enig legitieme reactie is na het lezen van Garderobe, kleine zaal is: Oplichterij! Ik wil mijn geld terug!

Helemaal stuitend wordt het wanneer Schippers maar liefst vijf (!) pagina’s van zijn prulbundel volplempt met… cijfers op bonnetjes van een garderobe… Je moet maar durven. Om het maar eens vrij naar de goeie ouwe Gerard Reve te zeggen: K. Schippers moet maar eens duchtig geranseld worden, dat hij ophoudt duur papier te bederven.

En zo komt Arjan Peters op een fenomeen dat (helaas) meespeelt bij de beoordeling van een gedicht: de reputatie van de dichter. Als een op zich zwak gedicht ineens geschreven blijkt te zijn door een gerenommeerde dichter als Tonnus Oosterhoff, dan zijn lezers die het gedicht, toen het nog anoniem was afserveerden als slecht, ineens bereid er diepere lagen in te zien, puur en alleen omdat ze zijn geïntimideerd door de naam van de dichter die erachter blijkt te zitten.

Deckwitz pleit daarom niet onterecht voor een tijdschrift waarin alleen gedichten staan – zonder de namen van de makers daaronder.

In het verlengde hiervan leek het mij leuk eens de volgende proef te doen:

Je schrijft op een voddig blaadje in niet al te mooi handschrift een van de beste gedichten van Nijhoff of Achterberg en van een pruldichter print je een gedicht uit op mooi papier in een fraai lettertype en laat dat aan mensen lezen. Eens kijken of de argeloze lezertjes zich door het uiterlijk in de luren laten leggen of dat ze daardoorheen kijken. Tien tegen een dat het mooi uitgevoerde pruldicht hoger gewaardeerd wordt dan de klassieker op een vodje.

Goed, laten we afsluiten met een goed gedicht. Het is Winnetou van Achterberg. Heel transparant, maar je wordt in ieder geval niet bedonderd. Ik vind het prachtig.

Winnetou

O oude boek met zijn aparte geur.
Zoet en verzaligd uur,
dat ik u las en zat in suizen neer,
om ons tesaamgetrokken tot een muur.

Sinds braken de gebeurtenissen door
des levens en teloor
ging uw verhaal in het wereldrumoer.
En mijn geheugen wist uw woord niet meer.

Hier vinden wij elkaar eindelijk weer
Gij hieldt dezelfde kleur.
De blanke tovercirkel van weleer
opent zich en ik sluit de deur.

Opnieuw begint het zoeken van het spoor.

© Gerrit Achterberg

facebooktwitterby feather
Reageer >>>

Bosrust

Ik kniel voor
een stille
miniatuursnelweg
waar tegenliggers
elkaar herkennen
via hun antennes.

De pensionbeheerster
mag ik houden voor
liefste tante.
Zij stopt mij in
mijn droom

Vannacht zal ik
in haar witte gestevenheid
bijkomen van
het verhaal
op de vluchtstrook.

Morgen
als laatste daad
van aanhankelijkheid
eet ik mevrouw
de oren van het hoofd.

Mijn handtekening achterlaten
alle afslagen
rechts laten liggen
behalve die ene.

facebooktwitterby feather
Reageer >>>

Tussen Haastrecht en Vlist

Ik stap in de kano, wankel
maar vind al snel een evenwicht.
Mijn armen zwellen op, juichen
van ver geroepen uit een verdoving
krijgen zij vanzelf een ritme
worden met de peddel
onbuigzaam, sterk en hard.

O, ik wil weer duistere monsters
vermoeden in het duistere water!
Wat zich ophield op de bodem
komt nu aan de oppervlakte
happen naar leven.

Een ijsvogel wordt
als uitheems begroet.
En de blik
heiig van verte
herkent gindse ooievaars
als urubu’s.

Een tak die beiderzijds
van de spiegel kijkt
ligt als een kaaiman roerloos.

Elzen zijn tot mangroves vergroeid.
De rietkraag biedt camouflage
tegen de omsingelende vijand…

© André Degen

facebooktwitterby feather
Reageer >>>

Aandoening of hinderlijke eigenschap?

Doe dat niet, want anders wordt Joy’s naam Sadness.

Ik weet het, ik heb het er eerder over gehad (dus, wees gerust, ik word – nog – niet seniel:-) maar na een lange zomerstop moet ik er weer even inkomen. Dus mag ik alsjeblieft even een beetje in de herhalingsmodus schieten? Ja? Dank u.

Gisteren (2 september 2017) stond er een interessant artikel van universitair hoofddocent Laura Batstra in De Volkskrant over misofonie, ‘de aandoening waarbij specifieke geluiden heftige gevoelens van woede, haat of walging oproepen’. Een misofoon krijgt de kriebels (of erger) als iemand in zijn naaste omgeving smakt bij het eten (of een appel eet, zie de Joy hierboven), hoorbaar door zijn mond ademt of te hard niest.

Bij dat ‘aandoening’ gaat het echter al mis, betoogt Batstra. Haar punt in haar stuk is juist dat we een (hinderlijke) eigenschap al snel gaan duiden als stoornis, het is, aldus Batstra, de neiging ‘steeds meer menselijke eigenschappen (te) medicaliseren’, terwijl het ‘gewoon’ om een onhebbelijkheid gaat. In Batstra’s woorden: ‘Van een naam voor een eigenschap waar sommigen last van hebben, is misofonie dus in no time getransformeerd tot aandoening van de hersenen.’

En verder zegt ze: ‘Het almaar creëren van nieuwe stoornissen praat mensen met lichte problemen een ziekte aan en helpt degenen die lijden aan extreme vormen van de eigenschap niet.’

Maar dat is niet het enige: er wordt ook veel geld uitgegeven aan het zoeken naar verschillen tussen misofone mensen en mensen die niet aan die klachten lijden. Geld dat beter had kunnen worden besteed aan mensen met een werkelijk ernstige aandoening.

We hoeven de overdreven gevoeligheid voor bepaalde geluiden inderdaad niet te categoriseren als ‘aandoening’, maar wellicht is het wel verstandig mensen die last hebben van misofonie te ontraden naar een camping te gaan. Want daar zijn hondengeblaf, babygehuil, geblèr, geboer, gerochel, geruft, gesnurk en gehoest niet van de lucht.

Zelf ben ik erg gesteld op het campingleven (deze zomer heb ik het weer drie weken meegemaakt), maar ik ben ook niet erg gelukkig met bovengenoemde geluiden. Toch verdraag ik ze gelaten, want ja, ze horen nu eenmaal bij kamperen, zoals muggen, leeglopende luchtbedden en lauwe douches. Dus ook deze zomervakantie heb ik alle ongewenste bijgeluiden als een luid snurkende buurman of het geblèr van een moeilijk stil te krijgen kind manmoedig gedragen.

Een enkele keer kon ik de slaap niet vatten omdat de ademhaling van de buurman in de naastgelegen tent eenvoudigweg te luid was. Maar toen ik door dat lange wakker liggen in het holst van de nacht de dwergooruil hoorde, was alle leed geleden. ‘Elk nadeel heb z’n voordeel’, een bekende Nederlandse filosoof zei het al.

facebooktwitterby feather
Reageer >>>

Follow Us

facebooktwitterby feather